Tagarchief: kortverhaal

De struik

Pats!
Mijn vlakke hand belandt op mijn blote plakkerige bovenarm. Ik schiet het platgeslagen insectenlijk met mijn duim en wijsvinger weg en strijk een losgeraakte pluk haar achter mijn oor. De zon schijnt gemeen op mijn lichaam, zweet prikt op mijn huid. Mijn mond is kurkdroog, mijn hoofd bonkt en lijkt te ontploffen steeds als ik me vooroverbuig. Waarom ik vanmorgen ook alweer besloten heb dat die struik er vandaag uit moet, weet ik niet meer, maar ik heb de kracht niet meer om verder te graven. Het gaat me bovendien toch niet lukken. De wortels zitten te diep net als mijn verdriet. Zuchtend laat ik me op de grond zakken en staar een tijdje naar mijn met aarde besmeurde handen. Dan werp ik een blik op de struik. Die lelijke klotestruik die al jaren in onze tuin staat. De struik die hij er maanden geleden al uit zou halen. Mijn beeld wordt steeds troebeler. Kwaad trap ik tegen de spade.
‘Hallo,’ klinkt een stem.
Geschrokken kijk ik op.
Aan het begin van mijn tuinpad staat een vrouw. Ze steekt haar hand omhoog. ‘Ik ben Gina, de nieuwe overbuurvrouw.’
Ik plaats mijn hand boven mijn ogen.
De vrouw gekleed in een mouwloze lange lichtblauwe zomerjurk, komt op haar slippers dichterbij. Haar teennagels zijn donkerroze gelakt. In haar hand houdt ze een flesje water. ‘Ik zag dat je bezig was in de tuin en ik dacht, ik ga even kennis maken.’ Ze steekt me het flesje toe. ‘Je kunt vast wel wat verfrissing gebruiken.’
Ik veeg langs mijn ogen, krabbel overeind en schraap mijn keel. ‘Wat aardig, dank je wel. Ik ben Roos.’ Ik draai meteen het dopje los en drink het flesje zonder adempauze voor de helft leeg.
‘Ik kom als geroepen, zie ik wel.’ Dan knikt ze naar de grond. ‘Moet die struik eruit?’
‘Ja, maar het lukt me niet.’
‘Ik zou me er nog niet eens aan wagen,’ lacht ze. ‘Zulke klusjes laat ik liever aan mijn man over. Daar maak ik mijn handen niet aan vuil.’
‘Mijn man is dood,’ zeg ik.
Mijn nieuwe overbuurvrouw staart me aan en ik vraag me af wat ze denkt. Waarschijnlijk bedenkt ze een manier om zich zo snel mogelijk weer uit de voeten te maken of misschien is ze het nieuwsgierige type en overlaadt ze me zo meteen met vragen of zou ze het meelevende type zijn, klaar om me troostend in haar blote armen te sluiten.
Niets van dat alles blijkt waar.
Ze trekt de spade in één ruk uit de grond en duwt hem resoluut in mijn hand. ‘Het lukt je wel,’ zegt ze zacht maar overtuigd. ‘Je moet niet opgeven.’ Na die woorden draait ze zich om en loopt het tuinpad af. De dunne stof van haar jurk danst rond haar benen.
Ik glimlach en met hernieuwde moed ga ik verder. Laat in de middag, als de zon zich achter een dik en donkergrijs wolkendek verscholen heeft en er dikke druppels rondom mij op de aarde neer roffelen, trek ik kreunend met mijn laatste kracht de struik uit het diepe gat.

© S.van Deudekom

Het onbeschreven boek

Er was eens een onbeschreven boek. Het was helemaal leeg, van de eerste tot de laatste pagina. Het was een oud boek met een stoffige donkerbruine kaft, een gouden slot en vergeelde bladzijden. Hij stond samen met een hele hoop andere boeken in een boekenkast.
Het onbeschreven boek voelde zich helemaal niet prettig tussen de andere boeken. Die boeken hadden allemaal een verhaal. Verhalen vol spanning en avontuur, sprookjesverhalen of romantische liefdesverhalen. Hij had geen verhaal. Hij had geen eens een titel! De andere boeken maakten hem belachelijk en lachten hem uit. Weggestopt tussen een enorm dik en kleurrijk sprookjesboek en een lange smalle dichtbundel versierd met gekrulde letters, voelde het onbeschreven boek zich met de dag ellendiger.

Op een dag werd het sprookjesboek van de plank getrokken. Het onbeschreven boek schoof onbedoeld een stukje mee naar voren, balanceerde een moment op het randje van de plank en viel er toen pardoes overheen. Met een doffe klap belandde hij op de vloer. 20150329_183032 Daar lag hij dan, met een kapot slot, opengeslagen op zijn eerste bladzijde.
Hij keek naar boven en zag de andere boeken vanaf de planken zwijgend op hem neerkijken.
‘Kijk uit!’ waarschuwde één van de encyclopedieën op de middelste plank.
Tot zijn grote ontzetting zag het onbeschreven boek een paar zwart geribbelde pantoffels, in volle vaart op hem af komen. Hij zette zich schrap. De botsing die volgde deed hem rondtollen over de houten vloer. Toen hij eindelijk tot stilstand kwam, lag hij tussen de stofpluizen, ver weg onder de boekenkast, alleen en in het donker. Ver boven hem hoorde hij de andere boeken lachen: ‘Opgeruimd staat netjes, een boek zonder verhaal hoort tóch niet thuis in een boekenkast.’
Ze hebben gelijk, dacht het onbeschreven boek verdrietig en legde zich neer bij zijn lot.

Dagen, weken en maanden gingen voorbij tot er ineens iets veranderde. De bijna altijd zo schemerige en stille kamer, vulde zich met zonlicht en met fluweelzachte klanken van klassieke muziek. Een fris briesje deed de stofpluizen onder de kast in het rond dansen. 20150329_183125 Het onbeschreven boek hoorde de andere boeken praten en vroeg zich af wat er allemaal gebeurde, maar hij kon niet verstaan wat ze zeiden en het enige wat hij kon zien waren verschillende schoenen die heen en weer schuifelden langs de boekenkast waaronder hij verscholen lag.
En zo gebeurde het dat de kamer waar het onbeschreven boek zich bevond helemaal leeg werd gemaakt, zonder dat hij het in de gaten had. De grote boekenkast werd leeggeruimd, de boeken verdwenen in dozen en de dozen werden één voor één weggedragen. Het zware koloniale bureau en de bureaustoel, werden via een touw aan een katrol, uit het raam naar beneden gelaten. Daarna was de boekenkast aan de beurt. Met vier man sterk werd de kast omhoog getild en naar het raam gedragen.
Het onbeschreven boek schrok van de plotselinge verandering om hem heen. Wat gebeurde er allemaal?
Een man die gereed stond met een mop en een emmer sop, zag het opengeslagen boek op de vloer liggen. Hij bukte zich om het op te pakken, blies het stof eraf en bladerde er vluchtig doorheen.
“Leeg,” mompelde hij en legde het in de vensterbank. Neuriënd ging hij aan het werk. Het onbeschreven boek keek om zich heen. Een enorm gevoel van eenzaamheid overmande hem. Waar waren alle andere boeken gebleven?

De stilte was wedergekeerd en terwijl de zon langzaam onder ging, werd de lege kamer in schemering gehuld. Het onbeschreven boek was alleen achtergebleven op de vensterbank. Niemand had meer naar hem omgekeken. Hij had nooit gedacht dat hij de andere boeken nog eens zo zou missen. In de deuropening van de kamer verscheen een poesje. Het was een klein zwart poesje met een wit befje en witte sokjes. Met haar grote groene ogen keek ze nieuwsgierig de kamer rond. Voorzichtig trippelde ze naar binnen, zette zich schrap en sprong boven op de vensterbank. Daar krulde ze haar staart om zich heen en begon aan een uitgebreide wasbeurt.
Het onbeschreven boek was blij met het onverwachtse gezelschap en slaakte een diepe zucht. Het poesje maakte een hoog sprongetje met alle vier haar pootjes tegelijk in de lucht en zette blazend een hoge rug op zodra ze weer stevig op de vensterbank stond. ‘’ Wie is daar?’
Het onbeschreven boek had niet meteen in de gaten dat het poesje hem bedoelde. Hij keek alleen maar om zich heen, zoekend naar degene die haar zo had laten schrikken. ‘Ik zie helemaal niemand,’ zei hij hardop tegen zichzelf.
Het poesje deinsde achteruit, ontblootte haar nagels en gaf het boek dat geluid maakte een harde tik.
Het onbeschreven boek realiseerde zich ineens dat het poesje hem kon horen en meteen voelde hij zich niet meer zo alleen. Spontaan begon hij te lachen.
‘Wat ben jij een raar boek! Boeken horen niet te praten of te lachen!’ riep het poesje uit en ze deelde nog een tik uit.
‘Zeg, hou daar eens mee op!’ riep het onbeschreven boek verontwaardigd uit.
‘Het spijt me,’ zei het poesje. ‘Ik heb nog nooit een boek horen praten. Je hebt me laten schrikken.’ Het poesje kwam snuffelend dichterbij. ‘Zijn er meer boeken zoals jij? Boeken die ik kan verstaan?’
‘Dat weet ik niet,’ antwoordde het onbeschreven boek. ‘De andere boeken die ik ken zijn allemaal weg en ik weet niet waar naartoe. Ik ben helemaal alleen achtergebleven in deze kamer.’
Het onbeschreven boek vertelde aan het poesje wat hem was overkomen. 20150329_183149
Ze luisterde aandachtig naar hem tot hij uitgesproken was, en vroeg: ‘Waarom deden de andere boeken zo lelijk tegen jou?’
Het onbeschreven boek zweeg, want daar wilde hij helemaal niet over praten.
‘Wat is er? Durf je het niet te vertellen?’ vroeg het poesje.
‘Ik heb geen verhaal,’ mompelde hij bijna onhoorbaar.
‘Je hebt geen verhaal?’ Het poesje begon te lachen.
‘Ja, lach me maar uit, dat ben ik wel gewend,’ zei hij verdrietig.
‘Ik lach omdat je onzin uitkraamt. Heb je me zojuist niet jouw verhaal verteld?’
Daar moest het onbeschreven boek even over nadenken.
‘Ik denk dat je al meer hebt meegemaakt dan al die andere boeken bij elkaar,’ ging het poesje verder terwijl ze bovenop hem ging zitten en met haar kinnetje langs de rand van zijn kaft streek. ‘En maak je geen zorgen,’ zei ze spinnend. ‘Ik zorg wel dat jouw verhaal niet in deze kamer eindigt.’

Het onbeschreven boek had geen idee wat het poesje van plan was, maar hij voelde zich bevoorrecht dat ze hem wilde helpen. Het leek erop dat hij een echte vriendin in haar gevonden had.
‘Zeg poesje, hoe heet je eigenlijk?’
‘Ik heb een heleboel namen. De ene noemt me zus en de ander noemt me zo. De meest gebruikte naam is: poes.’
‘En waar woon je dan?’
Het poesje rekte zich uit. ‘Ik heb net zoveel huizen als ik namen heb, maar in geen van die huizen woon ik echt. In het ene huis ga ik eten en in het andere ga ik op jacht. Dan heb ik een huis waar ik heen ga als ik een massage nodig heb of een snackje tussendoor, daar heb ik er overigens meerdere van, en als ik ga slapen zoek ik een huis op waar het lekker warm is en ik comfortabel kan liggen.’
‘Wat kwam je hier dan doen?’
‘Ik ben hier eigenlijk om te jagen, want op de zolder van dit huis vind ik altijd wel een muis om te pesten, maar vandaag werd ik afgeleid omdat het huis anders is als anders. Het is bijna helemaal leeg, net als deze kamer en ik heb het mens helemaal niet gezien wat hier normaal op haar pantoffels rond sloft.’
Het onbeschreven boek begon zich meteen weer zorgen te maken. 20150329_183218
Het poesje keek van de vensterbank omlaag en wierp toen een blik naar de deur. ‘Ik ga je naar beneden brengen, want als je hier boven blijft heb je weinig kans dat je verhaal nog een vervolg krijgt.’ Ze draaide zich om en gaf met haar achterpootjes een voorzichtige trap.
Wederom viel het onbeschreven boek op de vloer, maar deze keer vond hij het helemaal niet erg. Hij voelde zich zowaar opgelucht.
Het poesje sprong achter hem aan en door vervolgens met haar voorpootjes en kopje tegen het boek aan te duwen, schoof ze hem beetje bij beetje naar de deur toe en de gang in. Al snel hadden ze samen een hele afstand afgelegd. Toen ze bovenaan de lange trap waren aangekomen, stopte het poesje met duwen. Hijgend keek ze naar beneden.

Moeten we dáár vanaf? dacht het onbeschreven boek. Hij wist niet of dat nu wel zo’n goed idee was. Hij zou vast helemaal uiteen vallen. Hij wenste dat hij pootjes had, net als het poesje, dan zou hij net als haar trede voor trede naar beneden lopen, want een val van deze hoogte zag hij helemáál niet zitten. Nee, dan bleef hij liever waar hij was. Daar dacht het poesje echter heel anders over. Ze had beloofd dat ze het boek zou helpen en dat was precies wat ze van plan was te doen. Onverschrokken nam ze een aanloop en een hoge sprong en nog voordat het onbeschreven boek verder kon piekeren, roetsjten ze samen met enorme snelheid over de trap omlaag. Het poesje zette zich schrap, haar  20150329_202558klauwtjes stevig in de kaft van het boek geslagen, haar snorharen wapperend in de wind.
Eenmaal beneden gleden ze al cirkelend verder door de lange gang en stevende recht op de voordeur af. Het poesje kneep haar oogjes stijf dicht en dook in elkaar.
Op dat moment zwaaide de deur open. Het poesje en het onbeschreven boek kwamen tegen een paar in panty’s gehulde benen tot stilstand.
Een vrouw begon te gillen, het poesje begon te blazen en het onbeschreven boek, die kon alleen maar blijven liggen.
‘Weg jij!’ riep de vrouw. “Kssst, kssst.’ Met haar tas zwaaide ze wild in het rond in een poging het poesje naar buiten te jagen.
‘Het wordt tijd dat ik ga!’ riep het poesje naar het onbeschreven boek. Ze sprong opzij om de vrouw te ontwijken, rende vliegensvlug het huis uit en draaide zich om. ‘Ik hoop dat je snel iemand vindt, die je een verhaal geeft!’ riep ze, maar nog voordat het onbeschreven boek iets terug kon zeggen tegen zijn enige vriendin, smeet de vrouw de voordeur met een harde klap dicht.

‘Zo, die is weg,’ mompelde ze en knipte een paar lichten aan. Ze zette haar tas neer, streek haar rokje glad en zakte door haar knieën om het boek van de vloer te rapen. ‘En wat hebben we hier.’ Ze bekeek het boek van alle kanten, zijn voorkant, zijn achterkant, zijn rug. Ze sloeg hem open en weer dicht. Tenslotte haalde ze haar schouders op. Met het boek onder haar arm liep ze door de gang naar de keuken en van de keuken naar de woonkamer. Haar hoge hakken tikkend op de vloer.
Het onbeschreven boek vroeg zich af wie de vrouw was en wat ze kwam doen. Hij wist zeker dat ze niet bij het huis hoorde. Voorzichtig deed hij een poging om met haar te praten, maar al snel kwam hij erachter dat de vrouw hem niet kon verstaan. Zwijgzaam liet hij zich dus maar door het huis dragen.
Nee, dacht het boek toen ze de trap naderden, ik wil niet terug naar boven! Straks laat ze me daar achter en ben ik helemaal terug bij af! Maar wat kon hij doen? Helemaal niets. ‘Stop!’ riep hij tevergeefs. ‘Stop!’ Maar haar benen stopten niet, ze brachten hem hoger en hoger, tot er ineens een harde dingdong door het lege huis galmde. Even hield de vrouw stil, wachtte tot de volgende dingdong en draaide zich toen om. Opgelucht zag het onbeschreven boek de benedenverdieping weer dichterbij komen.
‘Meneer en mevrouw Penseel. Welkom,’ begroette de vrouw het echtpaar dat voor de deur stond en schudde hen de hand.
Verwachtingsvol keken de man en vrouw naar binnen.
‘Zal ik jullie voor gaan? Dan beginnen we boven.’ Ze begeleidde de man en de vrouw naar de trap, waar ze het boek op de onderste trede neerlegde. ‘Ik zal jullie eerst even het hele huis laten zien en dan laat ik jullie even alleen.’
“Dat is goed,’ antwoordde de man.
Het begon het onbeschreven boek langzaam maar zeker te dagen. De mensen die bij het huis hoorden, waren vertrokken en hadden alle spullen inclusief de boeken met zich meegenomen. Binnenkort kwamen er nieuwe mensen in het huis wonen, mogelijk meneer en mevrouw Penseel. De kans was groot dat er dan ook boeken met hen meekwamen. Misschien waren die boeken vriendelijker dan de boeken waarmee hij in de boekenkast had gestaan. Hij kon ze vertellen wat hij had meegemaakt en wie weet kon hij dan vrienden met ze worden, net zoals met het poesje. Met een beetje geluk kwam er zelfs iemand wonen die hem een verhaal zou geven. Dan zou hij eindelijk een écht boek worden. Ja, hij zou in het huis blijven. Wat hem betrof mocht de vrouw hem straks weer helemaal naar boven brengen. Daar zou hij dan geduldig wachten op de nieuwe bewoners van het huis.

Maar het onbeschreven boek had helemáál geen geluk, hij had zelfs enorme pech, want toen het DSC_2764echtpaar weer was vertrokken, pakte de vrouw het boek van de trap, deed het licht uit, verliet het huis en trok de deur achter zich dicht. Ze liep naar de straat waar een grote stalen puincontainer stond. Met een zwaai gooide ze het boek over de rand. Hij belandde boven op een stapel puin en voelde alle hoop verloren gaan. Tot overmaat van ramp begon het ook nog zachtjes te miezeren. Gelukkig waren zijn bladzijden nog enigszins beschermd door zijn omslag, maar als het zo door bleef regenen zou dat niet lang meer duren. Het papier zou al het vocht opnemen, zacht worden en kapot gaan. Niemand zou er nog een verhaal op kunnen schrijven, maar ach, dat maakte niet meer uit. Het werd tijd, vond het onbeschreven boek, om te accepteren dat hij nooit meer een écht boek zou worden, want niemand zou hem nog zien liggen tussen deze rommel en al zou iemand hem zien, hij was kapot en vies. Niemand zou hem willen hebben. Dit was het einde. Hij was nu niet meer dan een stuk vuil.
En zo verstreek een lange troosteloze nacht, die langzaam plaatsmaakte voor een nieuwe dag. Het zonnetje straalde licht, maar naarmate de ochtend overging in de middag werden haar stralen sterker en sterker. Het onbeschreven boek begon langzaam wat te drogen. Op straat was het rustig. Zo nu en dan reed er een auto of fietser voorbij of passeerde een voetganger de puincontainer. Het onbeschreven boek keek omhoog naar de lucht waar hij af en toe een vogel zag vliegen of een felgekleurde vlinder zag fladderen.
Ineens klonk er gerinkel in de verte. Het geluid kwam steeds dichterbij.
Er kwamen twee jongens op hun fiets de straat in gereden. Ze rinkelden met hun fietsbellen en lieten de voorwielen van hun crossfietsen de lucht in steigeren. Slippend hielden ze stil bij de puincontainer.
‘Geef me eens een steuntje?’ vroeg één van hen terwijl hij zijn fiets op de grond liet vallen. ‘Misschien ligt hier nog iets bruikbaars.’
De andere jongen gehoorzaamde hem zonder iets te zeggen. Hij ging met zijn rug tegen de container staan en vlocht zijn handen in elkaar. De ander zette zijn voet daarin, greep zich vast aan de rand en klom eroverheen. Met zijn handen in zijn zij stond hij bovenop het puin en keek om zich heen. ‘Aha, daar zie ik al iets!’ Hij bukte zich en greep een stuk hout beet. ‘Kijk!’ riep hij, gooide het hout naar beneden en trok een volgend stuk hout tussen het puin vandaan.
‘Hoe krijgen we dat mee op de fiets?’ vroeg de jongen die beneden de stukken hout van de grond raapte.
‘Zeur niet man, dat gaat ons echt wel lukken, hier vangen!’
De jongen liet het hout uit zijn handen vallen en ving een boek op. Hij sloeg het open. De bladzijden waren leeg.
‘Dit is wel genoeg,’ zei de ander die zich ondertussen over de rand van de container wierp, zich afzette en met een sprongetje op de grond naast zijn fiets terecht kwam. Hij pakte de stukken hout op en hees met één hand zijn fiets omhoog. ‘Draag jij dat boek maar.’
‘Dat is goed,’ zei hij en klapte het boek dicht. Hij ritste zijn trainingsjasje een stukje open en stak het boek erin.
Natuurlijk had het onbeschreven boek geen idee waarom de jongens hem meenamen en waar ze hem naartoe zouden brengen, maar alles leek hem beter dan de puincontainer.
Toen hij weer tevoorschijn werd gehaald, zag hij nog meer jongens. Ze praatten, lachten en rookten sigaretten. Eén van hen stond gebukt naast een kuil waarin krantenproppen lagen. Hij streek een lucifer af en stak de proppen aan. Zodra ze begonnen te branden, legde hij er wat dunne takken bovenop. ‘Leg dat maar bij de voorraad,’ gebaarde hij naar het tweetal.

20150408_220623Het onbeschreven boek werd samen met de stukken hout bovenop een hoop takken, oude kranten en tijdschriften gegooid. Het vuur naast hem laaide gevaarlijk hoog op. Hij kon het niet geloven. Steeds als hij dacht dat het niet erger kon, gebeurde er toch weer iets waardoor hij nog dieper in de penarie raakte. Als hij nu aan de andere boeken uit de boekenkast zou kunnen vertellen wat hem de afgelopen paar dagen was overkomen, zouden ze hem niet geloven, dat wist hij zeker. Hij vroeg zich af hoe het met hen ging. Ze stonden nu vast ergens in een nieuw huis, in een nieuwe boekenkast, veilig met zijn allen bij elkaar.
De jongen die het vuur had aangemaakt, pakte nog een paar takken en gooide deze op het vuur. Toen raapte hij het boek van de stapel.
Het onbeschreven boek riep tevergeefs om hulp. ‘Niet doen! Help!’
De grijpende vlammen kwamen gevaarlijk dichtbij.
‘Wat doe je!’ hoorde hij ineens een stem roepen.
De jongens hadden het ook gehoord en draaiden zich allemaal tegelijk om. Achter hen stond een blond meisje met een fiets in haar hand. Achterop de fiets lag een dikke leren boekentas, die stevig onder een stel rubberen snelbinders was gebonden. ‘Je mag geen vuur maken,’ zei ze tegen de jongen met het boek in zijn hand en duwde haar roze brilletje omhoog.
‘Bemoei je er niet mee,’ snauwde de jongen.
De andere jongens keken hem grinnikend aan.
‘Is dat niet je zusje?’ vroeg één van hen.
De jongen reageerde niet.
‘Wat heb je daar?’ vroeg het meisje. ‘Is dat een boek?’
Hij draaide zich naar het vuur en hield het boek erboven.
‘Nee!’ riep het boek
‘Nee!’ riep het meisje.
‘Wil je het hebben, boekenwurm?’ vroeg de jongen met een gemene grijns op zijn gezicht.
Het meisje keek hem boos aan, in haar voorhoofd een diepe frons. ‘Als je dat boek in het vuur gooit, ga ik aan papa en mama vertellen wat je aan het doen bent.’ Ze bewoog snuivend haar neus op en neer en duwde weer haar brilletje omhoog.
De anderen begonnen hard te lachen en keken hun vriend afwachtend aan.
Hij staarde een ogenblik nadenkend in het vuur en haalde toen zijn schouders op. Met een zwaai slingerde hij het boek weg.
Het onbeschreven boek vloog door de lucht en maakte ten slotte een zachte landing op het gras tussen de klavers. DSC_2868
Vlak naast hem bloeide een klavertje vier. Hij hoorde de jongens in de verte lachen en joelen tegen hun vriend.
Al snel had het meisje het boek gevonden en knielde naast hem neer. Ze pakte hem op en wreef voorzichtig de viezigheid van zijn omslag. Daarna nam ze hem mee naar haar fiets waar ze haar boekentas opende en hem in één van de vakken naast een dikke agenda en een paar schriften schoof.

Thuis aangekomen haalde het meisje het boek uit haar tas. Ze legde het op de keukentafel. Bij het zien van het kapotte slot schudde ze zuchtend haar hoofd.
Ze pakte een vaatdoek van het aanrecht, hield deze onder de lauwe kraan, wrong de doek stevig uit en veegde toen zorgvuldig de omslag van het boek schoon.
Het onbeschreven boek was heel erg opgelucht dat hij dankzij het meisje aan de gevaarlijke vlammen was ontkomen, en nu probeerde ze hem ook nog op te lappen, iets waar hij eigenlijk heel erg blij van zou moeten worden, maar door alles wat hem inmiddels was overkomen, durfde hij niet te genieten van de aandacht die het meisje aan hem besteedde. Hij had alle hoop verloren en was alleen maar bang. Hij keek argwanend om zich heen op zoek naar nieuwe gevaren. Op het eerste gezicht kon hij niets ontdekken. Het was een gewoon huis.

‘Dag meisje, ik heb je helemaal niet binnen horen komen.’ In de deuropening van de keuken verscheen een vrouw.
‘Dag mam,’ antwoordde het meisje. Ze verborg het boek achter haar rug.
‘Wat verstop je daar?’ vroeg de vrouw.
Het meisje haalde nonchalant haar schouders op.
‘Elma Penseel? Je weet wat je vader heeft gezegd. Geen onnodige rotzooi meer mee naar huis nemen. We moeten juist af van al die rommel. Dat is alleen maar extra ballast tijdens de verhuizing.’
‘Maar het is geen rommel.’ Aarzelend haalde het meisje het boek tevoorschijn en stak het voor zich uit om het aan haar moeder te laten zien. ‘Het is een boek.’
De vrouw kwam dichterbij. ‘Hoe kom je daar nu weer aan.’
Het meisje klemde haar lippen op elkaar.
‘Het ziet er oud en versleten uit.’
‘Dat klopt, maar het is geen rommel.’
‘Wat moet je ermee? Je hebt al zoveel boeken.’
‘Dit is een speciaal boek.’
De vrouw rolde met haar ogen. ‘Neem het dan maar snel mee naar je kamer, voordat je vader thuis komt.’
‘Dank je wel, mama!’ riep het meisje en rende naar haar kamer waar ze het boek op haar bureautje legde.
Het onbeschreven boek zag meteen dat er een heleboel andere boeken in de kamer aanwezig waren, de meesten in een boekenkast of op planken aan de muur. Sommigen lagen op een stapel vlak naast hem op het bureautje en dan waren er ook nog enkele die op de grond lagen of op een klein kastje naast het bed. Al snel begonnen een aantal van de boeken tegen hem te praten.
‘Zeg, wie ben jij?’ vroeg één van hen. ‘Wat is je titel?’
‘Ja, vertel eens iets over jezelf?’ vroeg een ander.
Het onbeschreven boek zei niets. Hij was veel te bang dat ze hem zouden uitlachen zoals de andere boeken altijd hadden gedaan.
‘Het is een zwijgzaam type,’ klonk het vanaf de hoogste boekenplank.
‘Misschien komt hij uit een ander land en verstaat hij ons niet,’ werd er geantwoord vanaf het nachtkastje.
‘Ik denk dat hij gewoon verlegen is,’ zei een van de boeken op de grond.
‘Je hoeft niet bang te zijn hoor,’ klonk het vlak naast hem. Het was het bovenste boek op de stapel. ‘Ik ben een schoolboek, net als de anderen op deze stapel. Wij zijn hier tijdelijk. Ieder jaar verhuizen we naar een ander huis. We weten dus hoe het is om een nieuweling te zijn.’
‘Dat is het niet,’ begon het boek aarzelend. ‘Ik ben niet zoals jullie. Ik ben een onbeschreven boek. Ik heb geen verhaal en ik heb geen titel.’
‘Maak je geen zorgen!’ riep één van de boeken op de grond. ‘Er zijn er veel meer zoals jij. Ikzelf ben ook heel lang een onbeschreven boek geweest. Ik voelde me altijd een buitenstaander, maar nu heb ik geen lege bladzijde meer over! Ik ben helemaal vol geschreven, getekend en geplakt.”
Het onbeschreven boek kon het bijna niet bevatten. Er waren andere boeken zoals hij, onbeschreven boeken, wachtend op een verhaal! Hij was zo gelukkig met deze kennis dat zijn angst als sneeuw voor de zon verdween.
Die avond kwam het meisje aan het bureautje zitten en ritste haar etui open. Ze pakte haar lievelingspen en opende het boek. Net toen ze de punt van haar pen op het papier wilde zetten, 20150416_203516sprong er een poesje op het bureau. Het was een klein zwart poesje met een wit befje en witte sokjes.
‘Hé, lieve poes, ben je er weer?’ vroeg het meisje glimlachend en kriebelde haar onder haar kinnetje.
Het poesje miauwde luid en zette haar pootje op de lege bladzijde van het opengeslagen boek.

Eind

© Sabine van Deudekom

Uitgelicht door de Schrijversacademie

Een paar weken geleden kreeg ik van de Schrijversacademie een e-mail. Ik was als student uitgelicht voor de nieuwsbrief en kreeg de vraag of ik mee wilde werken aan een klein interview. Natuurlijk wilde ik dat! Gisteren kwam de nieuwsbrief uit. Het is een leuk stukje geworden. Ik hoop dat het veel mensen zal inspireren ook een opleiding aan de Schrijversacademie te beginnen. Het is leerzaam, inspirerend, motiverend en zeer de moeite waard.

 

Nieuwsbrief mei 2014 uitgelicht 1

Nieuwsbrief mei 2014 uitgelicht 2

Nieuwsbrief mei 2014 uitgelicht

Onuitgepakt

Het cadeau lag op tafel, zorgvuldig ingepakt met een rood lint. Daarnaast de envelop.
Anne schoof haar stoel aan en streek zorgvuldig haar rok glad.
Het was stil in huis. Het enige wat ze hoorde, was de ventilator van de oven. Op haar bord, lag een vers gebakken croissant, net als toen, maar deze keer was hij niet opengesneden en bestreken met roomboter en aardbeienjam.
Ze nam een slokje van de vers geperste sinaasappelsap. Met samengetrokken gezicht zette ze het glas weer neer en reikte naar de ietwat vergeelde envelop. Voorzichtig maakte ze hem open.
De glanzende hartvormige kaart, deed haar lichtjes huiveren.
Eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig… haar hartslagen volgden elkaar snel op.
Ze draaide de kaart om en staarde een moment naar de tekst zonder echt te lezen. Er waren uitgelopen letters, twee om precies te zijn. Zachtjes streek ze er overheen.

Gefeliciteerd met je zesendertigste verjaardag, liefste. Op naar de veertig! Sorry, ik moest het toch even zeggen, haha. Je weet dat ik normaal heel slecht ben in verrassingen, maar deze keer is het me gelukt! Ik weet zeker dat je heel blij zult zijn met dit speciale cadeau. Ik hou van je, nu en voor altijd. Kusjes overal, Maurice.

Anne drukte de kaart tegen haar hart, zocht naar zijn ogen, zijn liefdevolle blik. Haar woorden waren niet meer dan een fluistering, toen ze hem bedankte. Ze had werkelijk geen idee wat hij voor haar had gekocht, maar wel dat hij het met liefde voor haar had uitgezocht. Nu was het tijd om het uit te pakken, vond ze.
Ze nam het cadeau in haar handen, bekeek het onderzoekend van alle kanten en schudde het zachtjes heen en weer, voordat ze het op haar schoot zette. Haar vingers gleden over het rode lint. Rood, van de liefde, dacht ze en alsof ze zich gebrand had, zette ze het cadeau vlug terug op tafel.
‘Ik wacht nog even,’ zei ze zacht zonder naar hem te kijken en ze stak haar mes in de croissant. Stukjes bladerdeeg sprongen omhoog en vielen naast haar bord op het tafelkleed.
Het was nog steeds hetzelfde katoenen tafelkleed, beige met een donkerbruin streepje. Ze hadden het jaren geleden samen uitgezocht, al zag Maurice er het nut niet zo van in. Hij had liever placemats. Dat vond hij makkelijker. Daar kon gewoon een doekje overheen, maar zij vond een tafelkleed gezelliger, huiselijker.
Het geluid van de klok in de woonkamer verbrak de stilte. Ze kromp ineen en telde elf slagen.
De knokkels van haar hand werden wit, het mes trilde. Plotseling werd ze misselijk.
Ze hoorde weer die doffe klap gevolgd door het geluid van brekend servies op de tegelvloer.
Tranen trokken sporen over haar wangen en spatte op de kaart uiteen.
Geschrokken pakte ze een servet en depte haar verdriet weg. Nog een uitgelopen letter erbij…
‘Anne? Ik heb aangebeld, maar je deed niet open.’
Het viel Anne op hoe warm de hand van haar moeder was, die op haar schouder rustte, maar misschien was zij wel gewoon heel koud, ze wist het niet, maar het bracht haar terug naar nu.
‘Gefeliciteerd schat.’
‘Dankjewel mam.’
Er volgde een korte stilte.
Anne pakte de fotolijst, drukte er zacht een kus op en zette het samen met het cadeau naast het brandende kaarsje op de kast.
‘Pak je het niet uit?’ vroeg haar moeder.
Ze schudde haar hoofd. ‘Nee, misschien volgend jaar, als ik veertig word.’

Copyright: S.van Deudekom

Hakkie, takkie, weg zakkie!

Gisteren kwam ik buiten een buurtbewoonster tegen met haar drie teckeltjes, of …
Eén, twee…huh? Waar was nummer drie gebleven?
Haar jongste teckel, Bram, bleek de laatste weken kuren te hebben. Hij is niet zo lang geleden gecastreerd en sindsdien is hij nogal uit zijn hum.
Nu worden reuen over het algemeen juist een stuk rustiger na een castratie, maar nee, Bram niet. Hij luistert niet meer en is vervelend en snauwerig tegen andere hondjes. Arme Bram, dacht ik. Hij voelt zich vast aangetast in zijn mannelijkheid.

Mijn hond Hobey moest het afgelopen zomer ook ondergaan. Hij zat zichzelf zo verschrikkelijk in de weg. Hij had geen rust meer in zijn kont, maakte ruzie en steeds vaker lag hij hevig te trillen en te piepen, zo zielig.
Hij ontsnapte meerdere malen uit de tuin. Dan ging hij verlangend voor de deur van een buurhondje (lees: lekker teefje) zitten, om haar en haar baasjes, zijn meest verleidelijke serenade te brengen. Jankend als een wolf, zong hij om hun aandacht.
Hij presteerde het zelfs om bijna de plas over te zwemmen, waaraan wij wonen, omdat aan de overkant een hondje (lees: nog lekkerder teefje) werd uitgelaten. We moesten hem met ons bootje achterna varen om hem uit het water te vissen. Dat was wel zo’n beetje de druppel dus HAKKIE, TAKKIE, WEG ZAKKIE!
Nu is hij rustig en gehoorzaam. Hij kan weer al zijn aandacht besteden aan het sjouwen met stokken, het speuren naar konijntjes en het apporteren van ballen. Zijn eigen ballen zijn al lang vergeten…

Niet veel later kwamen we haar weer tegen, deze keer met Bram. Met enige terughoudendheid liet ik Hobey naar hem toegaan en wat er toen gebeurde, was zo grappig. Het vroeg gewoon om een menselijke interpretatie.

‘Hé Bram. Hoe gaat het?’ vroeg Hobey, terwijl hij kwispelend dichterbij kwam.
‘Klote,’ zei Bram verdrietig. ‘Ze hebben m’n ballen weggehaald. Ik voel me net een mietje.’
Hobey stak zijn neus in zijn oor. ‘Ach wat vervelend voor je. Ik weet wat het is. Ik heb ook geen ballen meer.’
‘Echt waar?’ zei Bram. Zijn staart zwaaide voorzichtig heen en weer.
‘Ja, echt. Je bent niet de enige en het went vanzelf.’ Hobey haalde zijn neus uit zijn oor en stak zijn poot naar hem uit. ‘Kop op, joh.’
‘Maar ik ben verminkt.’
Hobey keek onder zijn buik. ‘Je ziet er bijna niets van.’
‘Echt niet?’ vroeg Bram.
Hobey bekeek en besnuffelde zijn litteken. ‘Nee, echt niet.’
Bram was opgelucht. Misschien viel het dan toch allemaal mee.
‘Volgende keer weer spelen?’ vroeg Hobey, die weer zijn poot naar hem uitstak.
‘Doen we!’

Copyright: S. van Deudekom

De heks die halloween vierde

Kijk, dit is één van mijn favoriete foto’s. Hij is gemaakt op Halloween, een paar jaar geleden. Ik vloog in mijn ruimteschip door de lucht. Nu zullen jullie je waarschijnlijk meteen afvragen: wat doet zo’n oude heks als jij in een ruimteschip, heksen vliegen toch op bezems?
Tja, ik mag dan wel een heks van de oude stempel zijn, maar heb je ooit wel eens op een bezem gezeten? Het is niet bepaald comfortabel hoor, zo’n harde stok tussen je billen. Nee, wij moderne heksen vliegen al tijden niet meer op bezems en jullie mensen maar denken dat de wereld bezocht wordt door buitenaardse wezens.
Afijn, het was een donkere en gure nacht, perfect voor het jaarlijkse horrorfeest. Normaal gesproken laten wij heksen onszelf niet vaak meer zien, maar op Halloween komen we tevoorschijn en doen we wat we het allerleukste vinden, jullie de stuipen op het lijf jagen.
Persoonlijk vind ik er geen ruk meer aan. Heksen zijn uit de mode. Niemand schrikt nog van ons. Jullie zien zoveel horrorachtige verhalen op de televisie dat een simpele oude heks zoals ik nou niet bepaald angstaanjagend meer is. Nee, pas als jullie denken allemaal afgeslacht te worden door een of andere psychopaat beginnen jullie echt te zweten. Misschien omdat dat te dicht bij de realiteit komt, tenslotte is de wereld best gewelddadig. Er lopen een hoop gekken rond. Maar goed, het had geen zin om als mezelf te verschijnen. Normaal draag ik een lange donkerpaarse jurk en zo’n hoge puntige muts en als ik geen last heb van overtollig eelt of likdoorns trek ik ook mijn zwarte puntschoenen met hakken aan. Ik mag dan oud zijn, ik mag er graag nog vrouwelijk uit zien. Ik verruilde mijn outfit voor een oude stoffige mantel met capuchon en bruine platte instappers, ik was net Magere Hein, niet bepaald elegant, maar het zat best lekker. Om indruk te maken, had ik wapens nodig. Nu ben ik in principe tegen het gebruik van wapens dus het enige wat ik in mijn ruimteschip had liggen, waren mijn toverzeisen. Twaalf stuks maar liefst en laat Magere Hein nu altijd een zeis op zak hebben!
Waar ik die dingen normaal voor gebruik? Die heb ik nodig om mijn hobby te kunnen uitoefenen. Met die toverzeisen maak ik de meest prachtige en complexe landschilderijen. Ik heb er al een heleboel prijzen mee gewonnen tot frustratie van mijn gezusters, die af en toe groen zien van jaloezie, want niet veel van hen kunnen mij evenaren. Zodra mijn toverzeisen in de buurt komen van graan, slaat het plat en zo maak ik de mooiste creaties.
Graancirkels noemen jullie ze, gemaakt door buitenaards leven … niet dus.
Die avond hadden ze in ieder geval een ander doel, mijn zeisen moesten een voorbode lijken van bloederige taferelen en de dood MWUAHAHA.
Ik speurde met mijn supersonische camera naar de perfecte slachtoffers en al gauw ontdekte ik een boerengat waar de mensen helemaal niet bezig waren met Halloween. Sterker nog, er gebeurde daar helemaal niets! Perfect! Ik schoot een paar keer met mijn ruimteschip over de boerderijen heen. Koeien begonnen te loeien, schapen begonnen te blaten, kippen kakelden en honden sloegen aan. Mensen kwamen naar buiten om te onderzoeken wat er in hemelsnaam aan de hand was. Ze tuurden naar boven en toen ik landde, stonden ze verstijfd met open mond naar mijn ruimteschip te staren, waarschijnlijk bang om ontvoerd te worden.
Ik pakte een ladder, wat even duurde want hij is nogal zwaar en mijn rug is niet meer wat hij geweest is. Zodra ze mij zagen, puilden hun ogen zowat uit hun kop en toen mijn toverzeisen dreigend door de lucht vlogen, lieten ze zich smekend op de grond vallen. Ik kon alleen maar lachen, o o wat had ik een pret.
De volgende dag stond het in alle kranten: BUITENAARDSE WEZENS VIEREN OOK HALLOWEEN.

Copyright: S. van Deudekom