Tagarchief: kortverhaal

Een vogel voor de kat deel twaalf

Een vogel voor de kat

Heb je deel elf al gelezen of wil je beginnen bij het begin?

De bus reed van halte naar halte. Het maakte hem moe. Hij wilde zijn ogen sluiten, zich overgeven aan een diepe, zorgeloze slaap om even niet meer te hoeven nadenken en even niet meer te hoeven voelen. Hij was verdrietig om zijn zoon. Jeffrey leefde in een andere wereld, dat besefte hij nu. De alcohol en drugs hadden een gevoelloos persoon van hem gemaakt.
Hij keek door het raam naar buiten, zag de vrouw met het kind achterop de fiets, de jongen op de blauwe scooter voor het rode licht en de drie schoffelende plantsoenmedewerkers op de rotonde. Zijn ogen registreerden alles maar het ging in een waas aan hem voorbij.
Hij had het helemaal verkeerd aangepakt. Hij had al veel eerder strenger moeten optreden, geen grote mond of agressie moeten tolereren. Zéker niet onder zijn eigen dak. Hij had hem ook geen geld moeten geven al die keren dat hij daarom had gevraagd…het had geëist. Hij had zich laten intimideren door zijn eigen zoon en had daarmee diens verslaving gefinancierd. Nee. Het was een simpel drie letterig woord. Nee, je krijgt geen geld. Dat had hij moeten zeggen. Wat was hij voor een vader! Wat was hij voor een lafaard! Zuchtend schudde hij zijn hoofd en wreef over zijn gezicht. Hij was naïef. Marie had helemaal gelijk, en zij wist niet eens alles, want hoe vaak had hij niet iets voor haar verzwegen. Sommige situaties had hij haar gewoon willen besparen, er vloeiden tenslotte al genoeg tranen. Hij wist ook niet of hij haar zal vertellen over zijn bezoek aan Jeffrey. Wat had het voor zin. Hij had toch niets positiefs te melden en dat was wel wat Marie nodig had, iets positiefs. Dat hadden ze allebei hard nodig. Het werd tijd om die reis te gaan boeken, geen uitstel meer. Hij drukte op het knopje. Voor in de bus lichtte het woordje ‘STOP’ rood op. Hij kwam overeind en bewoog zich alvast richting de deur. Genieten, dacht hij, dat gingen ze doen.

Thuisgekomen keek hij eerst in de spiegel. Hij volgde met zijn wijsvinger de rimpels in zijn voorhoofd en trok zijn mondhoeken omhoog tot een geforceerde glimlach. Het verdriet was al bijna van zijn gezicht verdwenen, verborgen achter een masker. Zuchtend liep hij naar de woonkamer. Het was stil in huis. Hij vermoedde dat Marie even op bed was gaan liggen. Hij besloot haar te verrassen, pakte het dienblad uit de kast, zette het koffiezetapparaat aan en haalde brood uit de broodtrommel. Hij sneed een trostomaat en een stuk komkommer in schijfjes, schaafde plakjes belegen kaas en haalde een paar plakken boerenham uit de verpakking waarmee hij de sandwiches royaal belegde en ze vervolgens diagonaal doorsneed. Daarna liep hij naar de woonkamer om de stapel vakantiefolders te pakken zodat ze samen een hotel konden uitkiezen en vanmiddag nog iets bij het reisbureau konden boeken. Hij glimlachte bij de gedachte. Voorzichtig liep hij met het dienblad naar boven. Halverwege de trap hoorde hij haar praten. De slaapkamerdeur stond op een kier. Hij zag Marie op de rand van het bed zitten. Ze was aan het telefoneren. De toon in haar stem weerhield hem ervan om naar binnen te gaan.
‘Nee, dat kan ik niet,’ hoorde hij haar zeggen en na een korte stilte: ‘dat denk ik niet. Ik zou het ook niet begrijpen als ik hem was.’ Ze stond op, keek even door het raam naar buiten en ging toen weer zitten. ‘Daar is het nu te laat voor,’ zei ze hoofdschuddend.
Hij vroeg zich af wie ze aan de telefoon had, hij kon haar woorden niet plaatsen.
‘Dat is het wel en dat weet je!’ klonk het geagiteerd.
Het dienblad in zijn handen werd steeds zwaarder.
‘Ja, maar niet onmogelijk,’ antwoordde Marie.
Hij schraapte zijn keel en duwde met zijn voet de deur open.
Geschrokken draaide Marie zich om en drukte de telefoon in het dekbed.
‘Wat doe jij nou?’ vroeg ze met rood aangelopen gezicht toen hij het dienblad op het bed neerzette.
‘Ik kom je verrassen.’
‘O…wat lief.’
‘Wie heb je aan de telefoon?’
Verward keek ze naar de telefoon in haar hand alsof ze het ding voor het eerst in haar leven zag. ‘O…dat was iemand van het boekenclubje.’ Haastig zette ze de telefoon op het laadstation en toverde een glimlach op haar gezicht. ‘Wat heb je gemaakt?’
‘Het klonk niet als iemand van het boekenclubje.’
‘Heb je staan luisteren?’ vroeg ze verwijtend.
‘Niet bewust, ik ving wat op.’
‘Nou, het was echt iemand van het boekenclubje en zo’n bijzonder gesprek was het niet.’ Ze tilde de bovenkant van één van de sandwiches een stukje op. ‘Dat ziet er lekker uit.’
‘Marie.’
Ze keek op.
‘Je liegt.’
Ze ademde hoorbaar in en friemelde aan de zilveren ketting rond haar hals.
Hij liep om het bed heen, ging naast haar zitten en keek haar vragend aan.
Ze wendde haar blik af.
‘Marie toe, waar ging dat gesprek over.’
‘Laat het rusten, alsjeblieft,’ bracht ze wanhopig uit.
‘Nee.’
Ze sloeg haar handen voor haar gezicht. ‘Ik kan het niet vertellen!’
Hij greep haar handen vast en trok ze naar beneden. ‘Dat is onzin! Je kunt me alles vertellen!’
Ze schudde wild haar hoofd.
Met een ruk kwam hij overeind en sloeg daarmee perongeluk het dienblad omver. ‘Verdomme Marie!’
‘Goed! Ik zal het je vertellen! Ik heb ons leven verpest!’
Hij slaakte een geërgerde zucht. ‘Wat is dat nu weer voor onzin!’
‘Het is geen onzin!’ Ze wees naar zijn buik.
‘Dat heeft Jeffrey gedaan, niet jij.’
‘Hij is mijn zoon.’
‘Hij is ónze zoon.’
‘Dat…weet ik niet.’
‘Dat weet je niet?’
Ze stond op en keek hem secondenlang zwijgend aan.
‘Marie?’
‘Het spijt me,’ zei ze bijna onhoorbaar. Tranen welden op in haar vertrouwde blauwe ogen.
Hij slikte moeizaam. ‘Wie was het.’
‘Dat doet er niet toe.’
Hij schudde haar door elkaar. ‘Ik wil het weten!’
‘Onno!’
Hij griste de telefoon van het oplaadstation. ‘Wie krijg ik aan de telefoon als ik op de herhaaltoets druk!’
‘Fred!’ Ze spuugde zijn naam uit.
Verbouwereerd liet hij de telefoon uit zijn handen vallen.
‘Het was Fred,’ zei ze nog eens huilend.
Verdwaasd keek hij naar de koffievlekken op het dekbed en de vloerbedekking. De koppen en het bord met de sandwiches lagen omgekeerd op de grond, gedeeltelijk bedekt met de vele vakantiefolders. Hij bukte zich en pakte één van de folders op.
‘Onno…het is maar één keer gebeurd, laat het me uitleggen…’
Hij draaide zich om en liep langzaam de kamer uit. Zachtjes trok hij de deur achter zich dicht.

Wordt vervolgd (deel dertien)

Een vogel voor de kat deel elf

Een vogel voor de kat

Heb je deel tien al gelezen of wil je beginnen bij het begin?

Onno duwde de deur open. Een penetrante urinegeur drong zijn neus binnen. Hij keek om zich heen. Het portiek zag er nog altijd vervallen uit. Het was duidelijk een hangplek voor jongeren. De tegelvloer lag bezaaid met lege blikjes en sigarettenpeuken. De muren zaten vol bruine vlekken en waren beklad met de meest grove leuzen. Het was geen plek waar hij graag kwam. Hij moest op de derde verdieping zijn en drukte op de knop van de lift. De rode deur schoof piepend open. Hij keek de kleine ruimte in en schudde zijn hoofd. De trap leek hem een betere optie. Terwijl hij naar boven liep, dacht hij aan Marie. Hij had tegen haar gelogen. Hij had gezegd dat hij ging vogelen. Ze wist dus niet waar hij was. Niemand wist waar hij was. Hij kreeg het ineens warm. Bij het bereiken van de derde verdieping, veegde hij met een zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. Hij zuchtte diep. Hij moest rustig blijven nu, er zou niets gebeuren.
Jeffrey woonde in de eerste flat van de galerij. Hij gluurde door het keukenraam naar binnen. Het aanrecht stond vol lege glazen, drankflessen, vieze borden en aangekoekte pannen. Er was geen deurbel, enkel twee schakeldraadjes die uit een kapot grondplaatje staken. Hij klopte een paar keer hard op de deur en wachtte gespannen terwijl hij naar de duiven keek die een stukje verderop op de reling van de balustrade zaten te genieten van de ochtendzon. Het duurde even, maar uiteindelijk ging de deur open. Jeffrey knipperde met zijn ogen tegen het zonlicht. Zijn haren stonden alle kanten op en aan zijn baardgroei te zien, had hij zich al dagen niet geschoren. Hij was gekleed in een vaal grijs T-shirt en een witte onderbroek. Tussen zijn lippen hing een sigaret. ‘Pa, wat doe jij hier?’
Dat was een goede vraag. Hij had hier ook niet kunnen zijn, nooit meer. Hij had dood kunnen zijn. Hij zou in een kist kunnen liggen, diep onder de grond of als duizenden stofjes opgesloten kunnen zitten in één of andere lelijke urn. Mensen zouden om hem rouwen. Marie zou zich verloren voelen, kapot gaan van verdriet en zijn kinderen – hij keek Jeffrey onderzoekend aan – hoe zouden die zich voelen?
‘Ik zou je wel binnen willen vragen, maar het is een kolere bende en ik heb bezoek, als je begrijpt wat ik bedoel.’ Hij nam een lange haal van zijn sigaret. ‘Jezus pa! Zeg eens wat!’
Onno slikte en legde zijn hand op de plek waar hij met het mes was gestoken.
Jeffrey volgde zijn beweging en knikte naar zijn hand. ‘Ik deed het niet met opzet, ik schrok.’
‘Waarom liep je met een mes over straat?’
Hij tikte het as van zijn sigaret. ‘Ik heb altijd een mes bij me om mezelf te beschermen.’
Onno haalde zijn wenkbrauwen op.
‘Ik was er niks mee van plan.’
‘Weet je dat zeker?’
‘Ja, natuurlijk weet ik dat zeker!’ snauwde hij.
‘Je was onder invloed en liep op die mannen af met dat mes in je handen.’
‘Jef?’ klonk een vrouwenstem.
Hij schoot zijn peuk over de balustrade van de galerij en draaide zich om. ‘Ik kom er aan!’
‘Je liep recht op die mannen af,’ herhaalde Onno.
‘Ik was er niet op uit iemand neer te steken, oké? En wat bezielde je trouwens, weet je wel wie die lui waren? Je hebt zoveel geluk gehad. Ze hadden je echt flink te grazen kunnen nemen!’
‘Jij hebt me te grazen genomen!’ zei hij luid met overslaande stem.
Jeffrey wendde zijn blik af. ‘Ik word heus wel gestraft, wees maar niet bang.’
‘Jef! Kom nou!’ klonk de vrouwenstem weer.
Hij sloeg met zijn vuist tegen de deurpost. ‘Hou godverdomme je smoel! Ik zeg toch dat ik er zo aan kom!’
Onno zette een stap naar achteren.
‘Ik kan wel voor jaren de bak indraaien, pa.’
‘Dat weet ik.’
‘Ma en jij komen toch wel om me te steunen als ik voor moet komen?’
‘Jij hebt wel lef. Je vraagt niet hoe het gaat, je vraagt niet naar je moeder en je hebt nog niets gezegd waaruit blijkt dat je spijt hebt, maar je wilt wel weten of we je komen steunen.’ Onno maakte aanstalten om weg te lopen.
Jeffrey greep zijn arm vast. ‘Natuurlijk heb ik spijt!’
‘Laat los.’
‘Pa.’
‘Laat los, nu!’
Jeffrey stak zijn handen omhoog.
‘Je moeder en ik willen je voorlopig niet zien, ik hoop dat je dat respecteert.’
Hij snoof.
‘Doe je dat niet. Dan vraag ik een straatverbod aan.’
Jeffrey smeet de deur dicht.
Onno wist niet hoe snel hij weer beneden moest komen. Hij verliet het smerige portiek en zocht hijgend steun tegen de buitenmuur van de flat. Schokschouderend begroef hij zijn gezicht in zijn handen.

Wordt vervolgd (deel twaalf)

Een vogel voor de kat deel tien

Een vogel voor de kat

Heb je deel negen al gelezen?

Hij zag hoe de grijze kat over het gazon sloop, in het vizier de merel, die nietsvermoedend met zijn snavel tussen het gras pikte. Hij trok zijn pantoffel uit, wachtte op het juiste moment en gooide de deur open. Gealarmeerd vloog de merel ervandoor. De ineengedoken kat staarde hem met grote ogen aan. Hard smeet hij de pantoffel naar zijn kop. De kat vluchtte weg. Hij pakte de overgebleven boterhammen van het ontbijt en liep op één pantoffel naar buiten. Een zwerm tjilpende mussen streek neer op de dakrand van het schuurtje. Nieuwsgierig observeerden ze zijn handelingen. Hij verkruimelde de boterhammen boven het voederplateau, raapte de pantoffel van de grond en schoof deze weer aan zijn voet. Binnen sloeg de koekoeksklok, het was tien uur. Joris kon ieder moment langskomen met nieuws over Jeffrey. Hij keek door het raam naar binnen. Marie zat op de bank te lezen, althans dat leek zo, hij had haar het afgelopen uur nog geen bladzijde zien omslaan. Haar uitbarsting vorige week in het ziekenhuis stond hem nog helder voor de geest en ook al had ze diezelfde dag nog gezegd dat hij het moest vergeten, dat het haar gewoon even teveel was geworden, hij wist dat er een kern van waarheid schuilde in haar harde woorden. Het was immers al jaren een onuitgesproken feit geweest; zonder hun jongste zoon zou het leven makkelijker zijn. Hij begreep haar en nam haar niets kwalijk. Hij was alleen geschrokken van haar felheid.
Hij zag hoe ze haar mouwen omhoog schoof en haar armen aan een uitgebreid onderzoek onderwierp. Sinds een paar dagen had ze last van jeukende huiduitslag als gevolg van haar medicatie. Gefrustreerd begon ze te krabben. Hij wilde met haar op vakantie, liefst zo snel mogelijk, het zou goed voor haar zijn, voor hen allebei. De deurbel deed hem opschrikken. Hij liep naar binnen. Marie was overeind gekomen en stond midden in de kamer. Hun blikken ontmoeten elkaar, hielden elkaar vast. Seconden tikten voorbij. Weer klonk de deurbel, dringender deze keer. Tegelijkertijd kwamen ze in beweging.

‘Het Openbaar Ministerie heeft hem mishandeling ten laste gelegd en er zijn verzwarende omstandigheden die de rechter zeer waarschijnlijk in acht zal nemen, het feit dat het slachtoffer een familielid is bijvoorbeeld. Bovendien heeft hij al een strafblad.’ Joris schoof de papieren die voor hem op tafel lagen naar voren en tikte erop met zijn wijsvinger. ‘Hij heeft tal van overtredingen op zijn naam staan: drugsbezit, rijden onder invloed en hij schijnt vorig jaar betrokken te zijn geweest bij een vechtpartij in een bar, maar door geringe bewijslast is dat nooit voorgekomen.’
Onno staarde naar het papier.
‘Het kan in zijn voordeel werken als jullie in de rechtbank aanwezig zijn om voor hem te getuigen.’
Marie schudde stellig haar hoofd.
‘Dat hoeven jullie nu nog niet te beslissen, ma.’
‘Als we voor hem getuigen, keuren we goed wat hij heeft gedaan.’
‘Ik begrijp dat dat nu zo voelt, maar…’
‘Ik wil het niet!’
Hij stak afwerend zijn handen omhoog.
‘Ik begrijp überhaupt niet waarom jij hem per se moet vertegenwoordigen.’
Joris schraapte zijn keel.
‘Wanneer is de rechtszaak?’ kwam Onno tussenbeide.
‘Dat duurt nog wel even, waarschijnlijk volgend jaar pas.’
‘Waarom duurt dat zo lang, is dat normaal?’
‘Ja, helaas wel.’
‘Wat gebeurt er met Jeffrey tot die tijd?’
‘Hij is gisteren vrijgelaten in afwachting van zijn straf.’
Marie keek hem verschrikt aan en greep Onno’s hand vast.
‘Je hoeft niet bang te zijn, ma. Hij komt echt niet onaangekondigd langs.’
‘Hoe weet je dat zo zeker?’
‘Ik heb het hem ten strengste afgeraden.’
‘Daar luistert hij toch niet naar. Hij luistert nooit ergens naar.’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Jullie kunnen altijd nog een straatverbod aanvragen. ’
Onno schudde zijn hoofd. ‘Dat is niet nodig. Ik zal deze week met hem gaat praten.’
Marie keek hem met grote ogen aan en opende haar mond.
Hoofdschuddend legde hij haar het zwijgen op.
Ze wendde haar blik af.
Joris dronk zijn koffie op en bukte zich om zijn aktetas van de grond te pakken. ‘Ik moet weer gaan, ik heb over een uur een afspraak in de rechtbank.’ Hij stopte de papieren in zijn tas en gaf Marie een kus.
Onno volgde hem naar de gang. ‘Bedankt dat je tijd wilde vrijmaken om je broer te helpen,’ zij hij met gedempte stem.
‘Ik doe gewoon wat je me hebt gevraagd, pa.’
Hij wierp een blik over zijn schouder. ‘Dat weet ik, ik waardeer het dat je dat niet tegen je moeder hebt gezegd. Ik denk niet dat ze het met mijn verzoek eens zou zijn geweest.’
‘Daarom wilde ik dit ook niet in haar bijzijn vertellen.’ Hij opende de voordeur en draaide zich naar hem om. ‘Het is heel goed mogelijk dat Jeffrey veroordeeld wordt tot een fikse geldboete en als hij die boete niet kan betalen, zal hij zijn straf in de gevangenis moeten uitzitten. Je weet ook wel dat hij geen rooie rotcent heeft, hij leeft van een uitkering, dus het is misschien handig die plannen van jullie maar even uit te stellen.’ Hij klopte hem ter afscheid op zijn schouders en liep het tuinpad af.
Onno slaakte een diepe zucht en keek omhoog. Een vliegtuig dat in zuidelijke richting vloog, trok een dikke witte streep door de blauwe lucht.
Marie zat nog steeds aan tafel toen hij de kamer weer binnenkwam, haar hoofd gebogen, in haar handen een papieren zakdoekje die ze tot een kleine prop kneep. ‘Je gaat dus naar Jeffrey toe.’
Onno ging naast haar zitten. ‘Ik ga gewoon rustig met hem praten.’
‘Doe niet zo naïef! Jij kunt rustig met hem willen praten, maar je weet helemaal niet in welke toestand hij verkeerd, nuchter of onder invloed, waarschijnlijk dat laatste en dan is de kans groot dat hij boos wordt, gaat schreeuwen en misschien weer rare dingen gaat doen.’
‘Ik kan wel tegen een stootje, dat weet je toch?’ zei hij luchtig in een poging haar gerust te stellen.
Boos keek ze hem aan. ‘Je ziet nog steeds de ernst van de situatie niet in.’
‘Jawel, maar ik wil blijven geloven dat hij ons nooit opzettelijk pijn zou doen.’
‘Opzettelijk of niet, hij heeft het wel gedaan.’
Hij keek haar zwijgend aan.
In haar ogen welde tranen op. ‘Je vindt me zeker een vreselijke moeder omdat ik mijn eigen zoon niet vertrouw. Je vindt zeker dat ik hem in de steek laat.’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Dat snap ik best, hoor. Dat vind ik zelf ook. Ik vind mezelf ook een vreselijke moeder.’
‘Hou op, Marie.’ Hij nam haar gezicht tussen zijn handen. ‘Wees niet zo hard voor jezelf. Je bent geen vreselijke moeder, je bent gewoon een bange moeder en dat is heel begrijpelijk.’
‘Een bange echtgenote,’ zei ze zacht. ‘Ik wil je niet kwijt.’
Hij drukte zijn lippen op die van haar.
Aarzelend beantwoordde ze zijn kussen.

Wordt vervolgd deel elf

Een vogel voor de kat deel negen

Een vogel voor de kat

Heb je deel acht al gelezen?

‘Papa?’ klonk het zacht.
Onno opende zijn ogen en staarde zijn dochter een moment verdwaasd aan. ‘Je hebt lange haren.’
Louise glimlachte en streek over zijn hoofd. ‘Ja, en die van jou staan alle kanten op.’ Haar ogen liepen vol tranen die ze tevergeefs probeerde weg te knipperen.
Hij pakte haar hand vast en kuste haar met ringen versierde vingers.
‘Je had wel dood kunnen zijn.’
‘Ik ben er nog.’
‘Ik ben zo kwaad, dit vergeef ik hem echt nooit.’
‘Liefje, het was een ongeluk.’
Haar stem schoot een octaaf omhoog. ‘Een ongeluk?’
‘Ssst, niet zo hard.’
‘Het was geen ongeluk. Hij stak een mes in je buik en heeft je toen gewoon voor dood achtergelaten.’ Nijdig veegde ze met de mouw van haar jas de tranen van haar wangen. ‘De politie heeft de hele avond naar hem gezocht, tot hij midden in de nacht bij mama op de stoep stond. Ik heb meteen gebeld. Hij stond als een bezetene te bonzen op de voordeur en te schreeuwen dat hij naar binnen wilde. Het is maar goed dat ik thuis was, mama was hartstikke bang.’
De woorden van zijn dochter en de beelden die zich daarbij vormden in zijn hoofd, deden zijn hart pijn. ‘Waar is je moeder?’
‘Hier ben ik.’
Het was alsof ze kleiner was geworden. Haar gezicht was bleek, wallen tekenden zich af onder haar ogen. Ze nam zijn gezicht tussen haar handen en kuste hem lang en innig.
‘Je bent koud,’ mompelde hij tegen haar lippen.
Louise schoof een stoel bij voor haar moeder en liet hen alleen.
Marie observeerde zijn lichaam. ‘Heb je veel pijn?’
‘Dat valt wel mee,’ loog hij.
Haar lippen trilden. ‘Ik was zo bang om je te verliezen. Ik kan gewoon niet geloven wat hij heeft gedaan.’
‘Marie, je weet toch wel dat hij het niet expres deed?’
Haar gezicht vertrok in een grimas.
‘Ik had hem moeten roepen en hem niet zo moeten overvallen.’
‘Dat is onzin, dat weet je.’
‘Dat is geen onzin, hij is echt niet van plan geweest om mij neer te steken, hij wist niet eens dat ik er was.’
‘Hou op!’
Onno kromp ineen.
‘Dat verandert helemaal niets. Hij had een mes in zijn handen en hij was van plan die te gebruiken. Hij is gek. Hij is een verslaafde criminele gek.’
‘Hij is onze zoon,’ zei hij voorzichtig.
‘Het was beter geweest als we hem nooit hadden laten komen.’
Onno staarde haar aan.
‘Kijk niet zo! Alsof jij dat nooit hebt gedacht,’ beet ze hem toe.
Louise stond aan het voeteneinde van het bed. ‘Mama, iedereen kan je horen.’
Naast haar verscheen een verpleegster. ‘Mevrouw Verbeek, ik begrijp dat u erg emotioneel bent, maar ik zou u toch vriendelijk willen vragen om wat minder luidruchtig te zijn anders moet ik u verzoeken te vertrekken.’
Ze boog beschamend haar hoofd en slaakte een trillerige zucht. De rode kleur die door de boosheid op haar wangen was verschenen, verspreidde zich nu in snel tempo over haar hele gezicht. Tranen drupten op haar broek.
‘Zal ik een kopje thee voor u halen?’
Marie schudde haar hoofd en stond op. ‘Dat is niet nodig, we gaan naar huis.’
Onno greep haar arm beet. ‘Niet gaan, alsjeblieft, je bent er net.’
Ze wendde haar blik af.
‘Marietje, wees alsjeblieft niet boos op me.’
‘Ik ben niet boos op jou, echt niet. Ik ben boos op mezelf.’
‘Ga nou gewoon zitten, zo kun je toch niet weg gaan.’
‘Het spijt me.’
‘Dat hoef je niet te zeggen, mama, we begrijpen het wel,’ zei Louise.
‘Jullie begrijpen het niet, niet echt,’ zei ze nadat ze hem een kus had gegeven en aanstalten maakte om te vertrekken.
Hij keek zijn dochter smekend aan.
‘Mam, wil je echt niet meer blijven?’
Marie schudde haar hoofd en liep weg.
‘Ik maak me zorgen,’ zei Onno. ‘Ik wil niet dat ze nu alleen is.’
Louise omhelsde hem. ‘Ik laat haar niet alleen en vanavond komen we terug.’
‘Beloof je dat?’
‘Dat beloof ik.’

Onno liep met een looprek terug naar zijn bed. Hij had het toiletbezoek zo lang mogelijk uitgesteld, had eigenlijk liever nog een keer gebruik gemaakt van het urinaal, alles om maar niet achter het gordijn vandaan te hoeven komen. Hij voelde zich naakt nu hij langs de bedden van zijn kamergenoten liep.
Dick had bezoek van een vrouw met hetzelfde postuur en dezelfde gelaatstrekken als hij. Samen bladerden ze in een fotoalbum.
Hij keek voor zich uit en concentreerde zich op zijn voetstappen. Hij zag tot zijn ergernis dat zijn gordijn open was geschoven. De verpleegster moest het hebben geopend toen hij op het toilet zat. Hij zette het looprek aan de kant, ging in bed liggen en liet met de afstandsbediening zijn hoofdeinde naar beneden zakken.
Rink schraapte nadrukkelijk zijn keel.
Onno keek opzij.
‘U hoeft zich niet te schamen,’ zei hij, terwijl hij zijn deken opzij duwde en de papagaai boven zijn bed vastgreep. ‘U weet toch wat ze zeggen, ieder huisje heeft zijn kruisje. Ik heb een zoon, één zoon, ik heb hem al zeker vijf jaar niet meer gezien. Ik weet niet eens waar hij tegenwoordig verblijft, vóór of achter de tralies. Ik heb me vroeger heel vaak schuldig gevoeld, ik dacht dat ik een slechte vader was als ik niets deed om hem uit de problemen te helpen.’ Hij keek naar zijn dunne benen, blauw van de vele spataderen. ‘Mag ik u een goede raad geven?’
Onno opende zijn mond en sloot hem weer.
Rink schoof zijn benen over de rand van het bed en ging op de grond staan. ‘Accepteer de situatie en laat uw zoon los. Dat is beter voor uzelf en beter voor de rest van uw gezin.’ Met die woorden draaide hij zich om en schuifelde op blote voeten richting het toilet.

Wordt vervolgd (deel tien)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een vogel voor de kat deel acht

Een vogel voor de kat

Heb je deel zeven al gelezen?

De chirurg had hem verteld dat zijn milt door de messteek licht beschadigd was geraakt, maar dat een operatie aan het orgaan vooralsnog niet nodig was geweest. Ze hadden hem een bloedtransfusie gegeven en de komende week zouden ze het herstel van de milt nauwkeurig monitoren. Het was van belang dat hij zich zowel lichamelijk als geestelijk rustig hield. Onno had het zwijgzaam aangehoord en geknikt. De nacht die volgde had lang geduurd, gevangen in vage dromen als hij sliep, dan weer gevangen in de harde realiteit als hij ontwaakte. Hij had pijn en miste Marie. Haar warme lichaam vlak naast dat van hem, haar geur, het vertrouwde geluid van haar ademhaling als ze sliep. De man in het bed naast hem mompelde voortdurend in zijn slaap. In het bed daarnaast lag een snurkende en rochelende massa, aan de omvang te zien een zwaarlijvig persoon. Intussen wist hij dat het een sympathieke, goedlachse man was van rond de vijftig. Dick was astmapatiënt en was momenteel herstellende van longoedeem. De andere man was Rink. Hij was herstellende van een stentoperatie. Dat had hij niet van de man zelf gehoord, maar van Dick toen Rink zijn gehoorapparaat nog niet had aangezet. Volgens Dick was Rink een stille, behalve ’s nachts, zei hij, dan lulde hij de oren van je kop. Onno had geantwoord dat hij dat inderdaad had gehoord. Toen Dick aan hem vroeg waarom hij in het ziekenhuis lag, zei hij dat het niets bijzonders was, een ongelukje met een mes. Hun gesprek werd tot zijn opluchting onderbroken door een verpleegster die zijn volle urinaal kwam omwisselen voor een lege. Nu zat hij rechtop in bed en nam een klein slokje van de thee die hij bij zijn ontbijt had gekregen. Hij keek naar de bruine boterham met kaas. Hij had helemaal geen trek. Hij keek opzij. Rink lepelde een bakje yoghurt naar binnen en morste daarbij een paar druppels op het servet dat hij achter de boord van zijn nachthemd had gestopt. Dick prikte zijn vork in een omelet. Onno zette zijn kopje neer en duwde het blad weg.
De verpleegster die zojuist zijn urinaal had omgewisseld, kwam de kamer binnen. ‘Smaakt het heren?’ vroeg ze aan Dick en Rink. Het was meer een beleefdheidsvraag, want wachten op antwoord deed ze niet. Ze passeerde hun bedden, trok het gordijn naast zijn bed dicht en draaide zich om. ‘Meneer Verbeek, u heeft bezoek.’
Het was nog helemaal geen bezoektijd.
‘Het zijn twee agenten die u een paar vragen willen stellen. Denkt u dat u dat aankunt?’
‘Ik…ehm…ja…ja natuurlijk,’ stamelde hij.
‘Goed, dan zal ik ze doorsturen. Als u me nodig hebt, drukt u op de knop, afgesproken?’
Hij knikte en wachtte vervolgens gespannen tot de twee agenten aan zijn bed verschenen.
Het waren een man en een vrouw. Ze stelden zich aan hem voor. De vrouw haalde een notitieblokje uit haar zak en sloeg een bladzijde om.
‘Hoe voelt u zich?’ vroeg de man.
‘Het gaat wel, ik ben vooral erg moe, ik heb weinig geslapen.’
‘Dat is begrijpelijk. U begrijpt waarom wij hier zijn?’
Onno knikte.
De man stelde hem een paar korte inleidende vragen. Vragen die hij kon beantwoorden met ja of nee. De vrouw maakte notities.
‘Kunt u zich nog herinneren wat u buiten zag gebeuren?’
‘Ik weet het niet, het is allemaal een beetje vaag.’
‘Neem rustig de tijd.’
‘Een man. Hij werd achtervolgt en in elkaar geslagen door een andere man.’
‘U wist dus dat er buiten op het terras een gevecht plaatsvond, waarom bent u naar buiten gegaan?’
‘Ik weet het niet,’ antwoordde Onno en hij wendde zijn blik af.
‘Kende u de twee mannen die u zag?’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Andere getuigen hebben verklaard dat uw zoon ook bij het gevecht betrokken was, klopt dat?’
Verschrikt keek hij op.
De man keek hem vragend aan.
‘Nee, hij was er niet bij betrokken.’
‘Maar u hebt hem wel gezien, ging u daarom naar buiten?’
Hij knikte.
‘Kunt u rustig vertellen wat er precies gebeurde toen u naar buiten ging?’
‘Ik ben naar hem toe gelopen, want ik wilde niet dat hij zich in het gevecht zou mengen.’
‘Waarom dacht u dat hij dat van plan was?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Het was een gevoel, mijn zoon kan soms een beetje heetgebakerd zijn, ik wilde er gewoon voor zorgen dat hij daar uit de buurt bleef, dat is alles.’
‘Hebt u hem geroepen?’
‘Nee, ik ben snel naar hem toe gelopen en heb mijn hand voorzichtig op zijn schouder gelegd, omdat ik hem niet wilde laten schrikken.’
‘U bent zijn vader, waarom zou hij van u moeten schrikken?’
Onno slikte moeizaam, reikte naar het kopje op het blad en nam een slokje van de lauwe thee.
‘Kunt u vertellen wat er gebeurde toen u zich kenbaar maakte?’
‘Hij draaide zich heel snel om.’
‘Heeft hij u toen neergestoken?’
‘Hij keek me aan…ik zag paniek in zijn ogen.’
‘Meneer Verbeek, heeft hij u toen neergestoken?’ herhaalde de man rustig.
‘Het was een ongeluk, een reflex!’ Met een klap zette hij het kopje terug op het blad.
Verschrikt keek de vrouw op uit haar notitieblokje.
‘Wist u dat hij een wapen bij zich droeg?’ ging de man verder.
‘Ja,’ zei hij zacht.
‘Dank u wel, meneer Verbeek, we begrijpen dat dit moeilijk voor u was.’
Hij sloeg zijn blik neer.
‘We zullen uw verklaring verder uitwerken en nemen nog contact met u op zodat u deze kunt nalezen en kunt ondertekenen.’
Onno schudde zijn hand, toen die van de vrouw.
‘We hopen dat u snel zult herstellen, beterschap.’
Meteen toen het tweetal was vertrokken, kwam de verpleegster terug en maakte aanstalten om het gordijn te openen, maar hij wilde dat het dicht bleef. Hij wilde met rust gelaten worden. Ze knikte en liet hem alleen. Onno trok het laken over zijn gezicht en huilde stilletjes.

Wordt vervolgd (deel 9)

 

 

Een vogel voor de kat deel zeven

Een vogel voor de kat

Heb je deel zes al gelezen?

Hij lag languit op zijn rug en keek omhoog. De hemel was blauw. Kleine witte wolken dreven langzaam voorbij. De lucht was lauwwarm. Vredig was het echter niet. Een zwerm meeuwen cirkelde krijsend boven zijn hoofd. Hij vroeg zich af hoe lang hij hier eigenlijk al lag, hij kon het zich niet herinneren. Het geschreeuw van de zeevogels werd luider en luider. Het schelle geluid deed pijn, drong tot diep in zijn wezen door. Hij wilde zijn handen tegen zijn oren drukken, maar besefte toen dat hij zijn lichaam niet kon bewegen. Hij kneep zijn ogen dicht, probeerde zich af te sluiten voor de herrie die de vogels veroorzaakte. Na een tijdje werd het stil. Het enige wat hij hoorde, was een zacht geruis. Hij opende zijn ogen. De meeuwen waren verdwenen. Nu vlogen er andere, véél grotere vogels. Hij schatte ze een meter lang van kop tot staart en hun vleugels hadden een vleugelspanwijdte van zeker twee tot drie meter. Volkomen gebiologeerd aanschouwde hij de tientallen vogels, die om elkaar heen vlogen, zwevend op de wind. Plotseling dook één van hen omlaag. Met zijn klauwen vervaarlijk vooruit gestoken vloog hij recht op hem af. Hij voelde zijn hartslag versnellen, wilde schreeuwen, wegrennen, in elkaar duiken. Het lukte hem niet. Hij zette zich schrap. De klauwen van het dier drongen in zijn vlees. Hij hapte naar lucht. Met wijd opengesperde ogen keek hij naar de vale gier die bovenop hem zat. De imposante vogel boog zijn kop en observeerde zijn weerloze lichaam alsof het een rottend karkas was waaraan hij zich tegoed kon doen. Hun blikken kruisten elkaar. Met ingehouden adem staarde hij in de dreigende helderbruine ogen van het dier. Een rilling ging door zijn lijf. Ineens hoorde hij een piep. De gier hoorde het ook. Hij hief zijn kop omhoog. Daar was het weer. Het leek van ver te komen. Onrustig draaide de gier zijn kop van links naar rechts, scande de omgeving, gromde. Toen er weer een piep klonk, spreidde hij zijn vleugels en sloeg deze op en neer. Stof en veertjes dwarrelden in het rond. De gier zette zich af en met een paar krachtige vleugelslagen was hij verdwenen. Langzaam liet Onno de adem tussen zijn lippen ontsnappen. Het werd lichter om hem heen. Hij kreeg het gevoel alsof hij zweefde, alsof de vaste grond onder zijn lichaam was verdwenen. Hij hoorde een stem. Het duurde even voor het tot hem doordrong dat de stem tegen hem sprak. Iemand tikte zachtjes tegen zijn wang. Voor zijn ogen verscheen een vage schim. ‘Kunt u mij horen?’ Langzaam werd het beeld scherper. Een jonge verpleegster met hemelsblauwe ogen glimlachte hem liefelijk toe. ‘Dag, meneer Verbeek? Kunt u mij horen?’
Zijn keel voelde rauw. Hij probeerde te slikken.
‘U bent in het ziekenhuis. Kunt u zich herinneren wat er is gebeurd?’
Langzaam bewoog hij zijn hoofd van links naar rechts.
‘Dat geeft niet, dat is heel normaal, het kan even duren voordat u zich alles weer herinnert. U bent betrokken geraakt bij een vechtpartij buiten op een terras en daar hebt u een verwonding opgelopen.’ Ze wachtte even voordat ze verder ging. ‘U bent geopereerd aan een steekwond.’
Hij tilde zijn hoofd op, keek naar het verband rond zijn borst. Overmand door een golf van misselijkheid liet hij zijn hoofd weer in het kussen zakken.
De verpleegster legde een hand op zijn schouder. ‘De chirurg komt straks even bij u langs om de details van uw operatie te bespreken, maar ik kan u wel alvast vertellen dat er geen vitale organen zijn geraakt. Bent u misselijk?’
Hij knikte.
Ze scheurde een kleine verpakking open, haalde er een swab uit en streek daarmee over zijn lippen. Het vocht proefde naar citroen. Hij schraapte zijn keel. ‘Waar is mijn vrouw?’
‘Maakt u zich geen zorgen, met uw vrouw is alles in orde,’ stelde ze hem gerust. ‘U ziet haar morgenochtend weer. Ik laat u heel even alleen, maar kom zo bij u terug om u naar een andere kamer te brengen.’ Met een ruk trok ze het gordijn naast zijn bed dicht.
Onno staarde naar het plafond. Hij kon zich werkelijk niets herinneren van een vechtpartij en hij kon zich ook niet voorstellen dat hij bij een vechtpartij betrokken was geraakt. Hij hield niet van geweld. Tevergeefs pijnigde hij zijn hersenen om erachter te komen wat er precies was gebeurd. Gefrustreerd slaakte hij een zucht en liet zijn zware oogleden dichtvallen. Hij dacht aan Marie. Zijn lieve Marie, wat zal ze bezorgd zijn. Het laatste wat hij zich nog wist te herinneren was dat ze samen hadden gefietst. Nieuwe fietsen, ze hadden hun nieuwe elektrische fietsen uitgeprobeerd. Ze hadden een heel stuk langs het kanaal gefietst. Marie had ervan genoten. Daarna waren ze naar het koffiehuisje gegaan. Het koffiehuisje! Hij opende verschrikt zijn ogen. De flashback kwam snel en was hevig.
Hij had hem gezien. Het ging mis. Hij voelde dat het mis zou gaan. Hij moest ingrijpen. Hij was naar buiten gerend.
Onno greep met beide handen het laken vast. Zweetdruppeltjes parelden op zijn voorhoofd.
Het mes. Hij had gestoken. Hij had zich naar hem omgedraaid en gestoken. Zijn zoon. Zijn zoon had hem neergestoken!

Wordt vervolgd (deel acht)