Tagarchief: drama

Een vogel voor de kat deel vier

Een vogel voor de kat

Heb je deel drie al gelezen?

Onno zat stilzwijgend naast Marie in de wachtruimte reumatologie en observeerde het echtpaar dat tegenover hen zat. De man zat met zijn armen over elkaar geslagen naar het grijsgevlamde linoleum op de vloer te staren. De vrouw naast hem deed hetzelfde maar had haar handen in haar schoot liggen. Zo nu en dan haalde de man zijn neus op waardoor zijn grote borstelige snor op en neer wipte. Onno vroeg zich af wie van hen de patiënt was. Naast het echtpaar, een paar stoelen verderop zat een dikke vrouw met een vlekkerige blos op haar wangen. Haar korte grijsblonde haren stonden alle kanten op. Hij wist niet of dat kwam door de harde wind buiten of dat dit gewoon haar kapsel was. De vrouw hield haar bril tegen het licht van de TL-lampen en kneep haar ogen samen. Haar plastic kuipstoeltje kraakte toen ze voorover boog om haar tas van de grond te pakken. Ze trok er een katoenen zakdoek uit waar ze fanatiek haar brillenglazen mee poetste.
Onno’s gedachten dwaalden af naar zondagmiddag. Het had een leuke middag moeten worden samen met de kinderen, maar het was uitgelopen op een fiasco, zoals dat wel vaker het geval was.
Hij keek opzij naar Marie, die doelloos in één of ander roddelmagazine bladerde. Ze zag er moe uit. Hij was zelf ook moe. Het hele gebeuren had duidelijk zijn tol geëist op hun beider fysieke én emotionele gesteldheid. Hij dacht aan zijn kleinkind wat nooit ter wereld zou komen. Hij vond het verdrietig, maar hij begreep het wel. Joris was een workaholic en Jennifer, nou ja, die had het vooral druk met het uitgeven van zijn geld. Er was geen plaats voor een kindje in hun leven. Hoe kort het moment echter ook was, hij had zich heel even trots gevoeld en verheugd. Hij snapte niet hoe Joris het zo plompverloren had kunnen vertellen, alsof het niets was, gevoelloos bijna. Jennifer had gelijk. Hij had hen blij gemaakt met een dooie mus.
Voor zijn ogen verscheen het beeld van het bruine, levenloze vogeltje, die hij een paar weken geleden onder de coniferen in de achtertuin had gevonden. Hij had een kuiltje gemaakt en het diertje daarin begraven.
Waarschijnlijk kwam er nooit een ander kleinkind. Die kans was zo klein. Joris en Jennifer waren er misschien wel nooit aan toe en Louise hield van vrouwen. Dat betekende natuurlijk niet per definitie dat ze geen moeder kon worden, maar hij had haar nog nooit over kinderen horen praten. Bovendien duurden haar relaties nooit erg lang. Het was dus nog maar de vraag of Anne wel een blijvertje was. En dan was er nog Jeffrey, die alcohol en drugs gebruikte. Dat verminderde de kwaliteit van je zaad had hij eens ergens gelezen.
Hij schrok op van Marie die hem zachtjes aanstootte. Ze was aan de beurt.

De blauwe reiger stond al tenminste een kwartier als een standbeeld geduldig in het ondiepe water te wachten op een prooi. Ineens schoot zijn kop pijlsnel naar voren. Met zijn oranje snavel viste hij zijn spartelende slachtoffer genadeloos uit het water en slokte hem in één keer naar binnen.
Onno liet zijn verrekijker zakken en keek opzij naar Fred, die de dop van de thermoskan draaide. Het sloepje kabbelde zachtjes heen en weer.
‘We zijn gisteren weer bij de reumatoloog geweest.’
‘En?’
‘De uitslag van het onderzoek was niet zo best.’
Fred schonk een bekertje koffie in en gaf deze aan Onno. ‘Dat is rot om te horen, vriend.’
Onno haalde zijn schouders op. ‘We hadden het wel verwacht.’ Hij nam een slok van zijn koffie. ‘Ze heeft een injectie gehad, een reumaremmer. Je raadt nooit wat voor spul het is.’
‘Wat dan?’
‘Goud.’
Fred keek hem verwonderd aan.
‘Ja echt. Het is één of andere goudverbinding?’
‘Merkwaardig.’
‘Het is nog troep ook, maar ja, welk medicijn niet.’
Fred knikte instemmend.
‘De reumatoloog adviseerde ons om naar Zuid-Spanje te verhuizen. Het klimaat daar schijnt veel beter te zijn voor mensen met reuma en je hebt er kuuroorden speciaal voor reumapatiënten, maar ja, wat denkt die man, dat we zomaar alles en iedereen achterlaten en naar Spanje verkassen?’
‘Het is het overwegen waard.’
Hij keek verbaasd opzij. ‘Serieus?’
‘Ja, als het beter is voor Marie, waarom niet?’
‘Maar, we kennen daar helemaal niemand.’
‘Jullie ontmoeten toch vanzelf nieuwe mensen?’
Onno staarde voor zich uit.
‘Wat vindt Marie ervan?’
‘Dat weet ik niet, we hebben het er nog niet over gehad,’ mompelde hij.
Fred klopte hem op zijn schouder. ‘Praat er samen over. Denk er over na. Neem Marie mee op vakantie, dat zal jullie sowieso goed doen. Bekijk de omgeving samen, bezoek zo’n kuuroord. Jullie hoeven toch niet meteen te emigreren.’
‘Nee, dat is zo.’

Het was de volgende dag nog vroeg in de morgen toen hij met een smoes van huis ging. Hij had een telefoontje gehad van Koos, de eigenaar van de rijwielzaak in het dorp. De nieuwe fietsen stonden klaar. Marie wist er helemaal niets van. Hij was niet zo goed in het bewaren van verrassingen, maar deze keer was het hem gelukt om zijn mond niet voorbij te praten.
Het was maanden geleden dat ze voor het laatst op haar fiets was gestapt. Het ging gewoon niet meer. Het deed teveel pijn aan haar knieën.
Toen hij de elektrische fiets voor haar verjaardag uitzocht, besloot hij er ook maar één voor zichzelf aan te schaffen. Tenslotte was hij ook de jongste niet meer en nu konden ze er weer samen op uit, fietstochtjes maken, net als vroeger. Koos was zo aardig geweest om de twee fietsen achter in zijn bus te zetten en hem naar huis te brengen. Het was een fijne kerel. Nu stonden ze te glimmen in de garage. Om die van Marie zat een grote strik, misschien een beetje kinderachtig, maar dat kon hem niets schelen. Met zijn handen in zijn zij en een tevreden glimlach op zijn gezicht keek hij naar de fietsen. Hij kon niet wachten om haar gezicht te zien.
Zijn blik viel op de stapel folders op zijn werkbank. Hij had nagedacht over het advies van de reumatoloog om naar Zuid-Spanje te verhuizen en over zijn gesprek met Fred. Zijn goede vriend had gelijk. Het was inderdaad iets waar ze eens serieus over moesten gaan nadenken. Niet alleen het klimaat zou goed zijn voor Marie, de rust ook en daarom was hij vanmiddag naar een intermediair geweest, waar hij een hele hoop informatie had ingewonnen over het aankopen van ontroerend goed in het buitenland. Misschien was het wat overhaast, maar hij wilde gewoon zeker weten of het überhaupt wel mogelijk was. Hij pakte de folders van de werkbank en rolde ze op in zijn handen. Toen greep hij naar het touwtje van de garagedeur en gaf er een ruk aan.
Vanavond zou hij het eens aankaarten bij Marie. Ze had er vast ook al over nagedacht. Maar eerst was het tijd om haar te verrassen.
Toen hij binnen kwam, zag hij op de keukentafel twee lege koffiekopjes staan en een glas dat voor de helft gevuld was met water. Naast één van de koffiekopjes lag een in elkaar gefrommeld papieren zakdoekje. Ingespannen luisterde hij naar de stemmen in de woonkamer. Hij verstevigde de grip op de folders in zijn hand. De deur naar de woonkamer piepte zachtjes toen hij hem een zetje gaf. Drie paar ogen keken hem aan.

Wordt vervolgd (deel vijf)

Een vogel voor de kat deel drie

Een vogel voor de katHeb je DEEL TWEE al gelezen?

‘Ik begreep van Jennifer dat je weer een nieuwe zaak hebt aangenomen?’ Onno gaf Joris een grote slagroompunt.
‘Ja, dat klopt.’ Hij ging op de leuning van de fauteuil zitten.
Jennifer veerde omhoog en wierp een blik op zijn bordje. ‘Is dat slagroomtaart? Dat hoef ik niet hoor.’
Verbaasd keek Onno haar aan. ‘Lust je geen slagroomtaart?’
Ze trok haar neus op. ‘Nee, véél te vet.’
Louise zette de kopjes koffie één voor één op tafel.
Afwerend zwaaide Jennifer met haar handen. ‘Geen koffie voor mij. Ik ben al een tijdje aan het minderen met de koffie. Zo ongezond, al die cafeïne en zo, en je gaat er heel erg van uit je mond ruiken. Ik heb liever een glaasje water.’
Zonder iets te zeggen schoof Louise het kopje door naar Anne.
Marie gaf een klopje op haar schouder. ‘Ik ga het wel even halen.’
‘Is het een grote zaak?’ vervolgde Onno het gesprek met zijn zoon.
‘Ja behoorlijk, maar hou nu maar op met vragen,’ reageerde hij kortaf.
‘Praat je niet graag over je werk?’ vroeg Anne.
‘Hij is advocaat,’ zei Jennifer hooghartig. ‘Hij heeft zwijgplicht.’
Joris prikte een gekonfijte kers aan zijn vorkje en keek zijn vader aan. ‘Jennifer is zwanger.’
Jennifer haalde uit en gaf hem een harde klap tegen zijn arm. De kers vloog van het vorkje en belandde voor hem op de grond. ‘Waarom vertel je dat nou!’
‘Geweldig!’ Onno sloeg zijn handen ineen. Hij werd opa!
‘Wat is geweldig?’ vroeg Marie, die achter hem verscheen.
‘Niks!’ snauwde Jennifer voordat iemand iets kon zeggen. Ze keek Joris vernietigend aan, die nonchalant zijn schouders ophaalde. ‘Ik wilde niemand blij maken met een dooie mus!’ beet ze hem toe.
‘Begrijp ik het goed?’ vroeg Marie voorzichtig.
Jennifer rolde verveeld met haar ogen, bukte zich om de kers van de grond te rapen en smeet deze op het schoteltje van haar man.
‘We laten het weghalen,’ zei Joris.
Er volgde een ongemakkelijke stilte.
Marie liet zich naast Anne op de bank zakken en staarde naar haar zoon, die achteloos in zijn koffie roerde. Het glas water in haar hand schudde zachtjes heen en weer.
Louise nam het glas voorzichtig uit haar handen en zette het op de salontafel.
Het geluid van Joris’ telefoon doorbrak de stilte. Hij graaide in zijn zak en keek naar het schermpje. ‘Deze móet ik even nemen,’ zei hij en hij maakte een sprintje naar de keuken.
Onno streek zachtjes over de schouder van Marie. In haar voorhoofd ontwaarde hij een diepe rimpel. Ze keek hem aan alsof ze iets belangrijks wilde zeggen, maar op dat moment werd er hard op het raam getikt. Het was Jeffrey. Grijnzend drukte hij zijn voorhoofd tegen het pas gewassen raam en zwaaide uitbundig om vervolgens drie keer zijn handen in de lucht te gooien en ‘hoera’ te roepen.
‘O god, ook dat nog,’ verzuchtte Louise.

‘Gefeliciteerd met je wijfie, pa.’ Jeffrey sloeg hem op zijn schouder.
Onno greep naar de jassen aan de kapstok om zijn evenwicht te behouden. Hij zuchtte en sloot voor een kort moment zijn ogen. Hij zag wuivend riet aan de oever van een plas en zijn Marietje die languit op een deken lag, één hand onder haar hoofd, de andere rustend op haar dikke buik. De kleine jongen naast haar op het kleed sabbelde op een stukje brood, die eigenlijk voor de eenden bedoeld was. Marie zag dat hij naar hen keek en blies hem een kushandje toe. Haar gezicht straalde. Ze was de mooiste vrouw ter wereld.
‘Mamaatje!’ klonk het vanuit de woonkamer. ‘Hiep, hiep, hoera!’
Hij zag nog net hoe Jeffrey haar weer op de grond zette.
‘Doe eens voorzichtig!’ beet Louise hem toe.
Hij stak zijn middelvinger naar haar op.
Geërgerd wendde ze haar blik af.
‘Hoe gaat het met je, lieverd?’ vroeg Marie.
‘Uitstékend!’ Hij streek een pluk haar uit zijn gezicht en keek naar Anne. Zachtjes floot hij tussen zijn tanden en knikte goedkeurend.
Anne stak haar hand uit. ‘Jij bent dus Jeffrey, leuk om je te ontmoeten.’
Hij vernauwde zijn ogen tot spleetjes. ‘Wat heeft ze allemaal over mij verteld?’
Louise mompelde iets onverstaanbaars.
‘Ik heb wel eens gehoord dat roodharige vrouwen veel geiler zijn, klopt dat?’ Hij liet zich naast Anne op de bank vallen.
‘Jeffrey!’ waarschuwde Onno.
Jennifer proestte het uit.
Louise wierp haar een vernietigende blik toe.
‘Wat nou, dat heb ik echt gehoord hoor, daar is zelfs een uitdrukking voor. Hoe was die ook alweer.’ Bedenkelijk tikte hij met zijn wijsvinger tegen zijn lip. ‘O, ik weet het alweer! Hoe roestiger het dak, hoe natter de kelder!’
‘Nu is het wel genoeg,’ zei Marie en ze wierp een verontschuldigende blik naar Anne.
Jeffrey haalde grinnikend zijn schouders op.
‘Wat wil je drinken?’ vroeg Onno.
‘Doe maar een biertje.’
‘Dat hebben we niet,’ loog hij.
‘Jezus christus!’
‘Wil je slagroomtaart?’ vroeg Marie.
‘Rot op met je taart.’
Louise sprong uit de bank omhoog. ‘Wat kom je hier eigenlijk doen, flikker lekker op als je niet normaal kunt doen!’
‘Hou je bek, bitch!’ riep Jeffrey, die nu ook overeind schoot.
Snuivend stonden ze tegenover elkaar.
‘Jullie lijken wel twee stieren,’ merkte Jennifer droogjes op terwijl ze één van haar nagels vijlde.
‘Wat gebeurt er hier verdomme allemaal! Ik kan zo toch geen gesprek voeren!’ Joris stond met zijn telefoon tegen zijn borst gedrukt in de deuropening.
Louise pakte Annes hand en duwde Jeffrey opzij. ‘Wij zijn weg.’
Onno zag het vermoeide gezicht van zijn vrouw. ‘Ik denk dat het beter is als jullie allemaal gaan,’ hoorde hij zichzelf zeggen. Zijn stem was ijzig kalm.
Hij hoorde de voordeur dichtslaan, kopjes op tafel trilden op hun schoteltjes. Er gingen seconden voorbij, of waren het minuten, hij wist het niet, maar toen hij gejammer hoorde, knipperde hij met zijn ogen en keek om zich heen. Weg, ze waren allemaal weg, behalve Marie. Ze stond midden in de kamer met haar handen voor haar gezicht. Haar schouders schokten. Hij trok haar dicht tegen zich aan en aaide zachtjes over haar hoofd. ‘Niet huilen, Marietje.’

Wordt vervolgd (deel vier)

Een vogel voor de kat deel twee

Een vogel voor de katHeb je DEEL ÉÉN al gelezen?

Het was bijna vierentwintig jaar geleden. Hij kon het zich nog herinneren als de dag van gisteren. Marie die hem heel voorzichtig vertelde over haar zwangerschap. Het sloeg bij hem in als een bom. Met twee pubers net op de middelbare school was het wel het laatste wat hij verwachtte. Bovendien was hij al over de vijftig en Marie werd bijna veertig, een leeftijd die risico’s met zich mee bracht voor de gezondheid van het kind. Nadat ze echter een week de tijd hadden genomen om erover te praten en aan het idee te wennen, kwamen ze tot het besluit het kindje te laten komen. De maanden die volgden, waren de zwaarste maanden van zijn leven geweest. Marie kreeg last van bekkeninstabiliteit en moest veel rusten. Dat betekende dat hij naast zijn drukke baan ook het huishouden en hun gezin draaiende moest houden. Soms werd ze somber en chagrijnig omdat ze weinig kon en mocht. Dan zat ze rechtop in bed en breide snikkend een paar nieuwe sokjes voor hun ongeboren kind. Hij probeerde haar op te vrolijken met knuffels, verhalen over de kinderen of anekdotes over zijn collega’s, maar vaak was dat tevergeefs. Ze hield hem op afstand, snauwde naar hem en bood dan een paar uur later huilend haar excuses aan. Het kostte hem enorm veel energie. Tijd voor zichzelf had hij niet of nauwelijks. Vogelen deed hij in die maanden maar zelden, maar het leek het allemaal waard te zijn, toen hun gezonde zoon eindelijk ter wereld kwam, niet wetende wat dit onschuldige jongetje allemaal nog teweeg zou brengen in de toekomst. Vooral de laatste jaren had hij zich verschillende keren afgevraagd of ze er wel goed aan hadden gedaan de zwangerschap door te zetten, maar nog nooit had hij dat hardop uitgesproken.
Er stopte een auto voor het huis, een portier sloeg dicht en een paar seconden later werd de sleutel in het slot van de voordeur gestoken. Na een kort getoeter reed de auto verder. Hij luisterde naar het vertrouwde geluid van haar voetstappen in de gang en haar gerommel in de keuken en vroeg zich af of ze wel eens dezelfde gedachten had gehad als hij. Als dat zo was liet ze het in ieder geval niet merken. Toen hij haar de trap op hoorde komen, schoof hij zijn benen over de rand van het bed en zette zijn blote voeten op het zachte tapijt.Hij spitste zijn oren en hoorde haar heel zachtjes kreunen. ‘Heb je hulp nodig?’ riep hij.
‘Nee hoor, het lukt wel.’
Hij schudde zijn hoofd. Na een paar minuten liep hij naar de gang en keek naar beneden.
Met een van pijn vertrokken gezicht stond ze halverwege de trap.
‘Kom,’ zei hij zacht. ‘Ik heb je plekje niet voor niets warm gehouden.’ Hij liep een paar treden naar beneden en stak zijn hand uit.
Aarzelend keek ze hem aan en pakte toen zijn hand.

Het was zondagmiddag. Onno opende de deur voor zijn dochter. Ze gaf hem een kus en deed een stapje opzij. ‘Dit is nou Anne.’ Met haar handen maakte ze een sierlijke beweging alsof ze een groots kunstwerk onthulde.
Onno zag eerst een enorme bos bloemen, daarachter een jonge vrouw met lange vuurrode haren. Hij keek naar het ringetje in haar sproetige neus en toen naar het zilveren bolletje vlak onder haar lip. Verbaasd was hij niet. Zijn dochter viel nu eenmaal op aparte types. Louise was zelf ook niet zo gewoontjes met haar gitzwarte haren, versierd met paarse en blauwe plukjes. Het deed hem denken aan een tropische vogel. Alternatief, noemden ze dat. Het maakte hem allemaal niet uit. Hij was trots op zijn dochter.
Hij knikte de nieuwe vrouw in haar leven vriendelijk toe en stak zijn hand uit. Ze gaf een stevige handdruk. Marie sloeg verrast haar handen ineen toen ze de bloemen zag. Ze knuffelde haar dochter en omhelsde ook Anne om haar te bedanken.
‘Ben jij ook fotografe?’ voeg Onno toen Anne één van Louise’s foto’s aan de muur bekeek.
‘Nee, ik heb een eigen kapperszaak.’
‘Dat is handig.’ Hij streek over zijn haren en gaf haar een knipoog.
‘Bij mij om de hoek,’ klonk het uit de keuken.
‘We hebben elkaar daar ontmoet,’ vulde Anne aan met een glimlach om haar lippen.
Hij glimlachte terug en bood haar een plekje aan op de bank. Net toen hij tegenover haar in zijn fauteuil wilde gaan zitten, zag hij de glimmende zwarte Audi van zijn oudste zoon voor het huis stoppen. Zijn schoondochter stapte uit de auto en trok haar rokje recht.
‘Dat is onze zoon Joris samen met zijn vrouw,’ zei hij tegen Anne voordat hij de gang in liep om de deur te openen.
Zijn schoondochter tuitte haar rode lippen en kuste de lucht naast zijn wangen. Lichtelijk bedwelmd door de scherpe geur van haar bloemige parfum, keek hij naar de hoge hakken van haar pumps, die ritmisch klikklakten op de plavuizen. Joris liep telefonerend achter haar aan en stak ter begroeting enkel zijn hand op.
Hij was het intussen gewend. Zijn zoon was een druk bezet man, was vrijwel altijd aan het werk en had daardoor weinig aandacht voor iets anders, of iemand anders. Hij zag hoe Joris vluchtig een kus op de wang van Marie drukte, haar een envelop gaf en naar de achterkamer liep waar hij op het hoekje van de secretaire zijn gesprek voortzette.
‘Belangrijke zaak,’ verklaarde Jennifer toen ze een stukje door haar knieën zakte en Marie stijfjes omhelsde. Met haar lange gelakte nagel tikte ze op de envelop. ‘Het is een cadeaubon van die hobbywinkel waar je altijd naartoe gaat. Dan kun je weer nieuwe spulletjes halen voor je borduursels en zo.’
Marie glimlachte naar haar. ‘Dank je wel schat.’
‘Mama kan niet meer borduren,’ merkte Louise droogjes vanuit de deuropening op.
Jennifer negeerde haar opmerking en ging in de fauteuil zitten. Ze sloeg haar benen over elkaar en onderwierp de roodharige vrouw tegenover haar aan een onderzoekende blik. Anne stak haar hand uit en stelde zichzelf voor.
Onno zag het verbeten gezicht van Louise. Zachtjes maar dwingend duwde hij haar terug de keuken in en wees naar de bloemen die ze al voor de helft in een kristallen vaas had geschikt.
Zijn dochter slaakte een diepe zucht en maakte zwijgend af waar ze mee begonnen was.
Ondertussen klapte hij het deksel van de doos open en keek naar de slagroomtaart, die aan de bovenkant rijkelijk versierd was met mandarijnstukjes, aardbeien en chocoladekrullen en rondom met een dikke laag nougatine. Hij drukte de zijkanten van de doos naar beneden en pakte een mes om de taart aan te snijden.
‘Kijk eens mam,’ zei Louise toen ze de laatste bloem in de vaas zette.
‘Ze zijn prachtig,’ antwoordde Marie. Ze tilde de vaas op en droeg hem voorzichtig naar de woonkamer. Onno keek haar na.
‘Hoe gaat het met mama?’ vroeg Louise zodra ze uit de keuken was verdwenen.
Onno zette het mes in de taart en haalde zijn schouders op.
‘Ik voel me een beetje schuldig, pap. Ik kom veel te weinig langs.’
‘We hebben toch wekelijks contact?’
‘Telefonisch.’
‘Dat maakt niet uit.’
‘Ik vind van wel.’
Hij likte een beetje slagroom van zijn vinger. ‘Je moet je niet schuldig voelen.’
‘Misschien moet ik maar eens op zoek gaan naar een andere woning, iets dichterbij, zodat ik wat vaker op en neer kan rijden en meer voor jullie kan doen.’
Onno legde het mes neer en keek haar aan. Ze had dezelfde grote blauwe ogen als haar moeder, maar door de dikke zwarte lijntjes die ze er altijd omheen tekende, leken ze veel kleiner. ‘Daar help je je moeder niet mee. Ze zou zich alleen maar schuldig voelen. Bovendien woon je op een prima locatie voor je werk.’
‘Dat weet ik wel, maar aan die twee daar hebben jullie ook niet veel.’
Hij negeerde de bekritiserende toon in haar stem. ‘Joris heeft het druk, net als jij.’
‘Pa, kom op. Joris en Jennifer wonen hier zowat om de hoek, maar interesse tonen of een beetje hulp aanbieden, ho maar. Die tuthola komt verdorie aanzetten met een cadeaukaart van een hobbyzaak, en dan maakt ze ook nog zo’n stomme opmerking dat het voor haar borduursels is, hoe lomp kun je zijn.’ Nijdig begon ze het snijafval van de bloemen met haar handen bij elkaar te vegen. Ze rolde alles in het cellofaan.
‘Je moet je niet zo druk maken,’ kalmeerde Onno haar.
Met haar linkerelleboog duwde ze de klink van de achterdeur naar beneden. ‘Komt Jeffrey ook?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Als hij dronken of stoned is, schop ik hem eruit!’ zei ze en ze beende naar de groencontainer.

Wordt vervolgd (deel drie)

Een vogel voor de kat deel één

Een vogel voor de katKlein vogeltje in het riet. Oranjebruin verenkleed, zwarte dekveren en grijze handpennen. Lichtgrijze keel. Vermoedelijk een baardmannetje (vrouwelijk). Onno krabbelde de plaats en datum boven de notitie en stak zijn boekje in één van de borstzakken van zijn legergroene parka. Hij zette de verrekijker nog eens tegen zijn ogen. Het vogeltje vloog weg, maar het maakte niet uit, hij moest toch naar huis om Marie te helpen met het eten.

 

Thuis trok hij zijn rubberen laarzen uit, zette deze netjes naast elkaar op de mat en schoof zijn voeten in de pantoffels die Marie voor hem onder de warme radiator had klaargezet. Zijn jas hing hij aan de kapstok in de gangkast. Uit de keuken klonk het monotone gebrom van de afzuigkap en het gekletter van pannen. Haastig liep hij de gang door en duwde de keukendeur open. De keukenramen waren licht beslagen. Zijn vrouw stond aan het aanrecht, haar wangen rood als appeltjes, in haar handen een stamper.
‘Marie, wat ben je aan het doen?’
Geschrokken keek ze op. ‘Jeminee, je laat me schrikken. Ik hoorde je helemaal niet binnenkomen.’
Hij drukte een kus op haar wang en wierp een terloopse blik op de pan met aardappelen. ‘Marietje,’ zei hij zacht. ‘We hadden toch afgesproken om samen te koken?’
Ze streek een pluk haar uit haar verhitte gezicht. ‘Ik wilde gewoon alvast beginnen.’
Hij sloeg zijn armen om haar heen en legde zijn kin op haar grijze hoofd. Hij rook de zoete geur van haar appeltjesshampoo.
‘En, heb je mooie vogels gezien vandaag?’ Ze keek naar hem op.
‘Hm, ik geloof dat ik een baardmannetje heb gezien, maar dat moet ik straks even opzoeken.’
‘Een baardmannetje,’ herhaalde ze en maakte zich los uit zijn omhelzing. ‘Daar heb ik nog nooit van gehoord.’ Ze haalde een pak melk uit de voorraadkast, draaide het dopje eraf en trok aan het plastic lipje. Haar gezicht vertrok.
‘Geef maar,’ zei Onno, maar ook bij hem wilde het lipje niet meegeven. Geërgerd trok hij er harder aan. Wie verzint verdomme zulke sluitingen, dacht hij toen het lipje eindelijk los schoot en er een beetje melk uit de opening klotste. Weten ze dan niet dat sommige mensen dit met geen mogelijkheid open kunnen krijgen? Hij goot een scheut melk over de aardappelen heen. ‘Ga jij maar zitten lief. Ik doe de rest wel.’
Marie deed haar schort af en ging aan de kleine vierkante keukentafel zitten. Voor haar, op het blauw wit geblokte tafelkleed, lag een opengeslagen boek. Onno zag dat het bijna uit was. ‘Ga je vanavond naar je boekenclubje?’
Ze sloeg een bladzijde om. ‘Ja, Paula komt me om half acht ophalen.’
Nu zijn vrouw haar eigenlijke hobby niet meer kon uitvoeren, was hij blij dat ze zoveel plezier genoot in het lezen en bespreken van boeken, al was het natuurlijk totaal niet te vergelijken met handwerken. Regelmatig pakte ze haar borduurdoos uit de kast en rommelde daar dan wat in en soms betrapte hij haar met één van haar borduursels in haar handen. Dan streek ze in gedachten met haar vingers over de kleurrijke patronen. Ze mistte het borduren, dat wist hij, maar ze probeerde er het beste van te maken, zo was zijn Marietje.
Hij gluurde in de pan op het fornuis, viste er een bloemkoolroosje uit en stak deze in zijn mond. ‘Perfect,’ mompelde hij en hij goot het water af.

Het was tien uur toen Onno zijn leesbril afzette en zijn vogelboek dichtklapte. Marie zou snel thuiskomen. Misschien kon hij alvast naar boven gaan om haar kant van het bed te verwarmen. Hij kwam overeind uit de leren fauteuil, knoopte zijn kamerjas dicht en slofte naar de gang. Plotseling hield hij stil. Hij hoorde iets. Het kon Marie nog niet zijn. Daar was het weer, alsof iemand tegen de voordeur bonsde. Hij keek om zich heen en greep naar de houten wandelstok, die uit de paraplubak stak. Je wist het ten slotte maar nooit. Tegenwoordig hoorde je zo vaak van die vreselijke verhalen over oude mensen, die in hun eigen huis overvallen werden. Met de wandelstok tegen zijn borst geklemd, gluurde hij door het kijkgaatje. Hij zuchtte, opende de deur en keek naar zijn jongste zoon, die voorovergebogen met zijn hoofd tussen zijn knieën, op zijn stoepje zat. Hij leek in gesprek te zijn met zichzelf en murmelde onverstaanbare woorden.
Met de wandelstok tikte hij hem zachtjes aan. ‘Jeffrey.’
Het horen van zijn naam deed de jongen verschrikt opkijken. ‘Pa!’
‘Schreeuw niet zo, ik ben niet doof.’ Hij hees hem aan zijn arm omhoog.
Jeffrey greep zijn kamerjas met beide handen beet en barstte in lachen uit.
‘Wat doe je hier in deze toestand?’ vroeg Onno.
‘Mamaatje is jarig dus ik…kom op visite.’
‘Je moeder is niet thuis, en ze is zondag pas jarig.’
Jeffrey liet hem los en keek hem verdwaasd aan.
‘Ik hoop niet dat je zo achter het stuur bent gekropen,’ zei Onno hoofdschuddend terwijl hij zijn kamerjas fatsoeneerde.
‘Zit niet te zeiken, pa! Waarom moet je altijd zo zeiken!’ Hij zocht steun tegen de deurpost. ‘Ik voel me niet zo lekker.’
Onno deed een stap opzij.
Zijn zoon strompelde de gang door, rukte de deur van de wc open en liet zich op de grond zakken.
‘Je kunt hier niet blijven. Ik wil niet dat je moeder je zo ziet.’
Jeffrey stak zijn arm omhoog. ‘Geef me maar wat geld, dan ben ik weg.’
Aarzelend keek hij naar de open hand van zijn zoon.
‘Geef me godverdomme gewoon wat geld!’ galmde Jeffreys stem door het toilet.
Hij verstijfde.
Jeffrey kokhalsde en spuugde.
Snel draaide hij zich om en liep naar de woonkamer om wat geld uit het potje te pakken wat achter in de lade van de secretaire stond.
Toen hij terug kwam, was Jeffrey overeind gekrabbeld. Hij griste het briefje van vijftig uit zijn vingers, liep naar buiten en trok zonder om te kijken de voordeur met een harde klap achter zich dicht.
Onno ontspande zijn schouders en wierp een blik in het toilet. Met vertrokken gezicht spoelde hij de bruin-gelige brij door, spoot een beetje luchtverfrisser in het rond en wapperde een keer met zijn handen. Hij deed het licht in de woonkamer uit en liep naar boven. Langzaam poetste hij zijn tanden, starend naar zijn spiegelbeeld. Toen kroop hij in bed en ging op het plekje van Marie liggen.

Wordt vervolgd (deel twee)

 

De struik

Pats!
Mijn vlakke hand belandt op mijn blote plakkerige bovenarm. Ik schiet het platgeslagen insectenlijk met mijn duim en wijsvinger weg en strijk een losgeraakte pluk haar achter mijn oor. De zon schijnt gemeen op mijn lichaam, zweet prikt op mijn huid. Mijn mond is kurkdroog, mijn hoofd bonkt en lijkt te ontploffen steeds als ik me vooroverbuig. Waarom ik vanmorgen ook alweer besloten heb dat die struik er vandaag uit moet, weet ik niet meer, maar ik heb de kracht niet meer om verder te graven. Het gaat me bovendien toch niet lukken. De wortels zitten te diep net als mijn verdriet. Zuchtend laat ik me op de grond zakken en staar een tijdje naar mijn met aarde besmeurde handen. Dan werp ik een blik op de struik. Die lelijke klotestruik die al jaren in onze tuin staat. De struik die hij er maanden geleden al uit zou halen. Mijn beeld wordt steeds troebeler. Kwaad trap ik tegen de spade.
‘Hallo,’ klinkt een stem.
Geschrokken kijk ik op.
Aan het begin van mijn tuinpad staat een vrouw. Ze steekt haar hand omhoog. ‘Ik ben Gina, de nieuwe overbuurvrouw.’
Ik plaats mijn hand boven mijn ogen.
De vrouw gekleed in een mouwloze lange lichtblauwe zomerjurk, komt op haar slippers dichterbij. Haar teennagels zijn donkerroze gelakt. In haar hand houdt ze een flesje water. ‘Ik zag dat je bezig was in de tuin en ik dacht, ik ga even kennis maken.’ Ze steekt me het flesje toe. ‘Je kunt vast wel wat verfrissing gebruiken.’
Ik veeg langs mijn ogen, krabbel overeind en schraap mijn keel. ‘Wat aardig, dank je wel. Ik ben Roos.’ Ik draai meteen het dopje los en drink het flesje zonder adempauze voor de helft leeg.
‘Ik kom als geroepen, zie ik wel.’ Dan knikt ze naar de grond. ‘Moet die struik eruit?’
‘Ja, maar het lukt me niet.’
‘Ik zou me er nog niet eens aan wagen,’ lacht ze. ‘Zulke klusjes laat ik liever aan mijn man over. Daar maak ik mijn handen niet aan vuil.’
‘Mijn man is dood,’ zeg ik.
Mijn nieuwe overbuurvrouw staart me aan en ik vraag me af wat ze denkt. Waarschijnlijk bedenkt ze een manier om zich zo snel mogelijk weer uit de voeten te maken of misschien is ze het nieuwsgierige type en overlaadt ze me zo meteen met vragen of zou ze het meelevende type zijn, klaar om me troostend in haar blote armen te sluiten.
Niets van dat alles blijkt waar.
Ze trekt de spade in één ruk uit de grond en duwt hem resoluut in mijn hand. ‘Het lukt je wel,’ zegt ze zacht maar overtuigd. ‘Je moet niet opgeven.’ Na die woorden draait ze zich om en loopt het tuinpad af. De dunne stof van haar jurk danst rond haar benen.
Ik glimlach en met hernieuwde moed ga ik verder. Laat in de middag, als de zon zich achter een dik en donkergrijs wolkendek verscholen heeft en er dikke druppels rondom mij op de aarde neer roffelen, trek ik kreunend met mijn laatste kracht de struik uit het diepe gat.

© S.van Deudekom