Tagarchief: drama

Een vogel voor de kat deel tien

Een vogel voor de kat

Heb je deel negen al gelezen?

Hij zag hoe de grijze kat over het gazon sloop, in het vizier de merel, die nietsvermoedend met zijn snavel tussen het gras pikte. Hij trok zijn pantoffel uit, wachtte op het juiste moment en gooide de deur open. Gealarmeerd vloog de merel ervandoor. De ineengedoken kat staarde hem met grote ogen aan. Hard smeet hij de pantoffel naar zijn kop. De kat vluchtte weg. Hij pakte de overgebleven boterhammen van het ontbijt en liep op één pantoffel naar buiten. Een zwerm tjilpende mussen streek neer op de dakrand van het schuurtje. Nieuwsgierig observeerden ze zijn handelingen. Hij verkruimelde de boterhammen boven het voederplateau, raapte de pantoffel van de grond en schoof deze weer aan zijn voet. Binnen sloeg de koekoeksklok, het was tien uur. Joris kon ieder moment langskomen met nieuws over Jeffrey. Hij keek door het raam naar binnen. Marie zat op de bank te lezen, althans dat leek zo, hij had haar het afgelopen uur nog geen bladzijde zien omslaan. Haar uitbarsting vorige week in het ziekenhuis stond hem nog helder voor de geest en ook al had ze diezelfde dag nog gezegd dat hij het moest vergeten, dat het haar gewoon even teveel was geworden, hij wist dat er een kern van waarheid schuilde in haar harde woorden. Het was immers al jaren een onuitgesproken feit geweest; zonder hun jongste zoon zou het leven makkelijker zijn. Hij begreep haar en nam haar niets kwalijk. Hij was alleen geschrokken van haar felheid.
Hij zag hoe ze haar mouwen omhoog schoof en haar armen aan een uitgebreid onderzoek onderwierp. Sinds een paar dagen had ze last van jeukende huiduitslag als gevolg van haar medicatie. Gefrustreerd begon ze te krabben. Hij wilde met haar op vakantie, liefst zo snel mogelijk, het zou goed voor haar zijn, voor hen allebei. De deurbel deed hem opschrikken. Hij liep naar binnen. Marie was overeind gekomen en stond midden in de kamer. Hun blikken ontmoeten elkaar, hielden elkaar vast. Seconden tikten voorbij. Weer klonk de deurbel, dringender deze keer. Tegelijkertijd kwamen ze in beweging.

‘Het Openbaar Ministerie heeft hem mishandeling ten laste gelegd en er zijn verzwarende omstandigheden die de rechter zeer waarschijnlijk in acht zal nemen, het feit dat het slachtoffer een familielid is bijvoorbeeld. Bovendien heeft hij al een strafblad.’ Joris schoof de papieren die voor hem op tafel lagen naar voren en tikte erop met zijn wijsvinger. ‘Hij heeft tal van overtredingen op zijn naam staan: drugsbezit, rijden onder invloed en hij schijnt vorig jaar betrokken te zijn geweest bij een vechtpartij in een bar, maar door geringe bewijslast is dat nooit voorgekomen.’
Onno staarde naar het papier.
‘Het kan in zijn voordeel werken als jullie in de rechtbank aanwezig zijn om voor hem te getuigen.’
Marie schudde stellig haar hoofd.
‘Dat hoeven jullie nu nog niet te beslissen, ma.’
‘Als we voor hem getuigen, keuren we goed wat hij heeft gedaan.’
‘Ik begrijp dat dat nu zo voelt, maar…’
‘Ik wil het niet!’
Hij stak afwerend zijn handen omhoog.
‘Ik begrijp überhaupt niet waarom jij hem per se moet vertegenwoordigen.’
Joris schraapte zijn keel.
‘Wanneer is de rechtszaak?’ kwam Onno tussenbeide.
‘Dat duurt nog wel even, waarschijnlijk volgend jaar pas.’
‘Waarom duurt dat zo lang, is dat normaal?’
‘Ja, helaas wel.’
‘Wat gebeurt er met Jeffrey tot die tijd?’
‘Hij is gisteren vrijgelaten in afwachting van zijn straf.’
Marie keek hem verschrikt aan en greep Onno’s hand vast.
‘Je hoeft niet bang te zijn, ma. Hij komt echt niet onaangekondigd langs.’
‘Hoe weet je dat zo zeker?’
‘Ik heb het hem ten strengste afgeraden.’
‘Daar luistert hij toch niet naar. Hij luistert nooit ergens naar.’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Jullie kunnen altijd nog een straatverbod aanvragen. ’
Onno schudde zijn hoofd. ‘Dat is niet nodig. Ik zal deze week met hem gaat praten.’
Marie keek hem met grote ogen aan en opende haar mond.
Hoofdschuddend legde hij haar het zwijgen op.
Ze wendde haar blik af.
Joris dronk zijn koffie op en bukte zich om zijn aktetas van de grond te pakken. ‘Ik moet weer gaan, ik heb over een uur een afspraak in de rechtbank.’ Hij stopte de papieren in zijn tas en gaf Marie een kus.
Onno volgde hem naar de gang. ‘Bedankt dat je tijd wilde vrijmaken om je broer te helpen,’ zij hij met gedempte stem.
‘Ik doe gewoon wat je me hebt gevraagd, pa.’
Hij wierp een blik over zijn schouder. ‘Dat weet ik, ik waardeer het dat je dat niet tegen je moeder hebt gezegd. Ik denk niet dat ze het met mijn verzoek eens zou zijn geweest.’
‘Daarom wilde ik dit ook niet in haar bijzijn vertellen.’ Hij opende de voordeur en draaide zich naar hem om. ‘Het is heel goed mogelijk dat Jeffrey veroordeeld wordt tot een fikse geldboete en als hij die boete niet kan betalen, zal hij zijn straf in de gevangenis moeten uitzitten. Je weet ook wel dat hij geen rooie rotcent heeft, hij leeft van een uitkering, dus het is misschien handig die plannen van jullie maar even uit te stellen.’ Hij klopte hem ter afscheid op zijn schouders en liep het tuinpad af.
Onno slaakte een diepe zucht en keek omhoog. Een vliegtuig dat in zuidelijke richting vloog, trok een dikke witte streep door de blauwe lucht.
Marie zat nog steeds aan tafel toen hij de kamer weer binnenkwam, haar hoofd gebogen, in haar handen een papieren zakdoekje die ze tot een kleine prop kneep. ‘Je gaat dus naar Jeffrey toe.’
Onno ging naast haar zitten. ‘Ik ga gewoon rustig met hem praten.’
‘Doe niet zo naïef! Jij kunt rustig met hem willen praten, maar je weet helemaal niet in welke toestand hij verkeerd, nuchter of onder invloed, waarschijnlijk dat laatste en dan is de kans groot dat hij boos wordt, gaat schreeuwen en misschien weer rare dingen gaat doen.’
‘Ik kan wel tegen een stootje, dat weet je toch?’ zei hij luchtig in een poging haar gerust te stellen.
Boos keek ze hem aan. ‘Je ziet nog steeds de ernst van de situatie niet in.’
‘Jawel, maar ik wil blijven geloven dat hij ons nooit opzettelijk pijn zou doen.’
‘Opzettelijk of niet, hij heeft het wel gedaan.’
Hij keek haar zwijgend aan.
In haar ogen welde tranen op. ‘Je vindt me zeker een vreselijke moeder omdat ik mijn eigen zoon niet vertrouw. Je vindt zeker dat ik hem in de steek laat.’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Dat snap ik best, hoor. Dat vind ik zelf ook. Ik vind mezelf ook een vreselijke moeder.’
‘Hou op, Marie.’ Hij nam haar gezicht tussen zijn handen. ‘Wees niet zo hard voor jezelf. Je bent geen vreselijke moeder, je bent gewoon een bange moeder en dat is heel begrijpelijk.’
‘Een bange echtgenote,’ zei ze zacht. ‘Ik wil je niet kwijt.’
Hij drukte zijn lippen op die van haar.
Aarzelend beantwoordde ze zijn kussen.

Wordt vervolgd deel elf

Een vogel voor de kat deel negen

Een vogel voor de kat

Heb je deel acht al gelezen?

‘Papa?’ klonk het zacht.
Onno opende zijn ogen en staarde zijn dochter een moment verdwaasd aan. ‘Je hebt lange haren.’
Louise glimlachte en streek over zijn hoofd. ‘Ja, en die van jou staan alle kanten op.’ Haar ogen liepen vol tranen die ze tevergeefs probeerde weg te knipperen.
Hij pakte haar hand vast en kuste haar met ringen versierde vingers.
‘Je had wel dood kunnen zijn.’
‘Ik ben er nog.’
‘Ik ben zo kwaad, dit vergeef ik hem echt nooit.’
‘Liefje, het was een ongeluk.’
Haar stem schoot een octaaf omhoog. ‘Een ongeluk?’
‘Ssst, niet zo hard.’
‘Het was geen ongeluk. Hij stak een mes in je buik en heeft je toen gewoon voor dood achtergelaten.’ Nijdig veegde ze met de mouw van haar jas de tranen van haar wangen. ‘De politie heeft de hele avond naar hem gezocht, tot hij midden in de nacht bij mama op de stoep stond. Ik heb meteen gebeld. Hij stond als een bezetene te bonzen op de voordeur en te schreeuwen dat hij naar binnen wilde. Het is maar goed dat ik thuis was, mama was hartstikke bang.’
De woorden van zijn dochter en de beelden die zich daarbij vormden in zijn hoofd, deden zijn hart pijn. ‘Waar is je moeder?’
‘Hier ben ik.’
Het was alsof ze kleiner was geworden. Haar gezicht was bleek, wallen tekenden zich af onder haar ogen. Ze nam zijn gezicht tussen haar handen en kuste hem lang en innig.
‘Je bent koud,’ mompelde hij tegen haar lippen.
Louise schoof een stoel bij voor haar moeder en liet hen alleen.
Marie observeerde zijn lichaam. ‘Heb je veel pijn?’
‘Dat valt wel mee,’ loog hij.
Haar lippen trilden. ‘Ik was zo bang om je te verliezen. Ik kan gewoon niet geloven wat hij heeft gedaan.’
‘Marie, je weet toch wel dat hij het niet expres deed?’
Haar gezicht vertrok in een grimas.
‘Ik had hem moeten roepen en hem niet zo moeten overvallen.’
‘Dat is onzin, dat weet je.’
‘Dat is geen onzin, hij is echt niet van plan geweest om mij neer te steken, hij wist niet eens dat ik er was.’
‘Hou op!’
Onno kromp ineen.
‘Dat verandert helemaal niets. Hij had een mes in zijn handen en hij was van plan die te gebruiken. Hij is gek. Hij is een verslaafde criminele gek.’
‘Hij is onze zoon,’ zei hij voorzichtig.
‘Het was beter geweest als we hem nooit hadden laten komen.’
Onno staarde haar aan.
‘Kijk niet zo! Alsof jij dat nooit hebt gedacht,’ beet ze hem toe.
Louise stond aan het voeteneinde van het bed. ‘Mama, iedereen kan je horen.’
Naast haar verscheen een verpleegster. ‘Mevrouw Verbeek, ik begrijp dat u erg emotioneel bent, maar ik zou u toch vriendelijk willen vragen om wat minder luidruchtig te zijn anders moet ik u verzoeken te vertrekken.’
Ze boog beschamend haar hoofd en slaakte een trillerige zucht. De rode kleur die door de boosheid op haar wangen was verschenen, verspreidde zich nu in snel tempo over haar hele gezicht. Tranen drupten op haar broek.
‘Zal ik een kopje thee voor u halen?’
Marie schudde haar hoofd en stond op. ‘Dat is niet nodig, we gaan naar huis.’
Onno greep haar arm beet. ‘Niet gaan, alsjeblieft, je bent er net.’
Ze wendde haar blik af.
‘Marietje, wees alsjeblieft niet boos op me.’
‘Ik ben niet boos op jou, echt niet. Ik ben boos op mezelf.’
‘Ga nou gewoon zitten, zo kun je toch niet weg gaan.’
‘Het spijt me.’
‘Dat hoef je niet te zeggen, mama, we begrijpen het wel,’ zei Louise.
‘Jullie begrijpen het niet, niet echt,’ zei ze nadat ze hem een kus had gegeven en aanstalten maakte om te vertrekken.
Hij keek zijn dochter smekend aan.
‘Mam, wil je echt niet meer blijven?’
Marie schudde haar hoofd en liep weg.
‘Ik maak me zorgen,’ zei Onno. ‘Ik wil niet dat ze nu alleen is.’
Louise omhelsde hem. ‘Ik laat haar niet alleen en vanavond komen we terug.’
‘Beloof je dat?’
‘Dat beloof ik.’

Onno liep met een looprek terug naar zijn bed. Hij had het toiletbezoek zo lang mogelijk uitgesteld, had eigenlijk liever nog een keer gebruik gemaakt van het urinaal, alles om maar niet achter het gordijn vandaan te hoeven komen. Hij voelde zich naakt nu hij langs de bedden van zijn kamergenoten liep.
Dick had bezoek van een vrouw met hetzelfde postuur en dezelfde gelaatstrekken als hij. Samen bladerden ze in een fotoalbum.
Hij keek voor zich uit en concentreerde zich op zijn voetstappen. Hij zag tot zijn ergernis dat zijn gordijn open was geschoven. De verpleegster moest het hebben geopend toen hij op het toilet zat. Hij zette het looprek aan de kant, ging in bed liggen en liet met de afstandsbediening zijn hoofdeinde naar beneden zakken.
Rink schraapte nadrukkelijk zijn keel.
Onno keek opzij.
‘U hoeft zich niet te schamen,’ zei hij, terwijl hij zijn deken opzij duwde en de papagaai boven zijn bed vastgreep. ‘U weet toch wat ze zeggen, ieder huisje heeft zijn kruisje. Ik heb een zoon, één zoon, ik heb hem al zeker vijf jaar niet meer gezien. Ik weet niet eens waar hij tegenwoordig verblijft, vóór of achter de tralies. Ik heb me vroeger heel vaak schuldig gevoeld, ik dacht dat ik een slechte vader was als ik niets deed om hem uit de problemen te helpen.’ Hij keek naar zijn dunne benen, blauw van de vele spataderen. ‘Mag ik u een goede raad geven?’
Onno opende zijn mond en sloot hem weer.
Rink schoof zijn benen over de rand van het bed en ging op de grond staan. ‘Accepteer de situatie en laat uw zoon los. Dat is beter voor uzelf en beter voor de rest van uw gezin.’ Met die woorden draaide hij zich om en schuifelde op blote voeten richting het toilet.

Wordt vervolgd (deel tien)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een vogel voor de kat deel acht

Een vogel voor de kat

Heb je deel zeven al gelezen?

De chirurg had hem verteld dat zijn milt door de messteek licht beschadigd was geraakt, maar dat een operatie aan het orgaan vooralsnog niet nodig was geweest. Ze hadden hem een bloedtransfusie gegeven en de komende week zouden ze het herstel van de milt nauwkeurig monitoren. Het was van belang dat hij zich zowel lichamelijk als geestelijk rustig hield. Onno had het zwijgzaam aangehoord en geknikt. De nacht die volgde had lang geduurd, gevangen in vage dromen als hij sliep, dan weer gevangen in de harde realiteit als hij ontwaakte. Hij had pijn en miste Marie. Haar warme lichaam vlak naast dat van hem, haar geur, het vertrouwde geluid van haar ademhaling als ze sliep. De man in het bed naast hem mompelde voortdurend in zijn slaap. In het bed daarnaast lag een snurkende en rochelende massa, aan de omvang te zien een zwaarlijvig persoon. Intussen wist hij dat het een sympathieke, goedlachse man was van rond de vijftig. Dick was astmapatiënt en was momenteel herstellende van longoedeem. De andere man was Rink. Hij was herstellende van een stentoperatie. Dat had hij niet van de man zelf gehoord, maar van Dick toen Rink zijn gehoorapparaat nog niet had aangezet. Volgens Dick was Rink een stille, behalve ’s nachts, zei hij, dan lulde hij de oren van je kop. Onno had geantwoord dat hij dat inderdaad had gehoord. Toen Dick aan hem vroeg waarom hij in het ziekenhuis lag, zei hij dat het niets bijzonders was, een ongelukje met een mes. Hun gesprek werd tot zijn opluchting onderbroken door een verpleegster die zijn volle urinaal kwam omwisselen voor een lege. Nu zat hij rechtop in bed en nam een klein slokje van de thee die hij bij zijn ontbijt had gekregen. Hij keek naar de bruine boterham met kaas. Hij had helemaal geen trek. Hij keek opzij. Rink lepelde een bakje yoghurt naar binnen en morste daarbij een paar druppels op het servet dat hij achter de boord van zijn nachthemd had gestopt. Dick prikte zijn vork in een omelet. Onno zette zijn kopje neer en duwde het blad weg.
De verpleegster die zojuist zijn urinaal had omgewisseld, kwam de kamer binnen. ‘Smaakt het heren?’ vroeg ze aan Dick en Rink. Het was meer een beleefdheidsvraag, want wachten op antwoord deed ze niet. Ze passeerde hun bedden, trok het gordijn naast zijn bed dicht en draaide zich om. ‘Meneer Verbeek, u heeft bezoek.’
Het was nog helemaal geen bezoektijd.
‘Het zijn twee agenten die u een paar vragen willen stellen. Denkt u dat u dat aankunt?’
‘Ik…ehm…ja…ja natuurlijk,’ stamelde hij.
‘Goed, dan zal ik ze doorsturen. Als u me nodig hebt, drukt u op de knop, afgesproken?’
Hij knikte en wachtte vervolgens gespannen tot de twee agenten aan zijn bed verschenen.
Het waren een man en een vrouw. Ze stelden zich aan hem voor. De vrouw haalde een notitieblokje uit haar zak en sloeg een bladzijde om.
‘Hoe voelt u zich?’ vroeg de man.
‘Het gaat wel, ik ben vooral erg moe, ik heb weinig geslapen.’
‘Dat is begrijpelijk. U begrijpt waarom wij hier zijn?’
Onno knikte.
De man stelde hem een paar korte inleidende vragen. Vragen die hij kon beantwoorden met ja of nee. De vrouw maakte notities.
‘Kunt u zich nog herinneren wat u buiten zag gebeuren?’
‘Ik weet het niet, het is allemaal een beetje vaag.’
‘Neem rustig de tijd.’
‘Een man. Hij werd achtervolgt en in elkaar geslagen door een andere man.’
‘U wist dus dat er buiten op het terras een gevecht plaatsvond, waarom bent u naar buiten gegaan?’
‘Ik weet het niet,’ antwoordde Onno en hij wendde zijn blik af.
‘Kende u de twee mannen die u zag?’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Andere getuigen hebben verklaard dat uw zoon ook bij het gevecht betrokken was, klopt dat?’
Verschrikt keek hij op.
De man keek hem vragend aan.
‘Nee, hij was er niet bij betrokken.’
‘Maar u hebt hem wel gezien, ging u daarom naar buiten?’
Hij knikte.
‘Kunt u rustig vertellen wat er precies gebeurde toen u naar buiten ging?’
‘Ik ben naar hem toe gelopen, want ik wilde niet dat hij zich in het gevecht zou mengen.’
‘Waarom dacht u dat hij dat van plan was?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Het was een gevoel, mijn zoon kan soms een beetje heetgebakerd zijn, ik wilde er gewoon voor zorgen dat hij daar uit de buurt bleef, dat is alles.’
‘Hebt u hem geroepen?’
‘Nee, ik ben snel naar hem toe gelopen en heb mijn hand voorzichtig op zijn schouder gelegd, omdat ik hem niet wilde laten schrikken.’
‘U bent zijn vader, waarom zou hij van u moeten schrikken?’
Onno slikte moeizaam, reikte naar het kopje op het blad en nam een slokje van de lauwe thee.
‘Kunt u vertellen wat er gebeurde toen u zich kenbaar maakte?’
‘Hij draaide zich heel snel om.’
‘Heeft hij u toen neergestoken?’
‘Hij keek me aan…ik zag paniek in zijn ogen.’
‘Meneer Verbeek, heeft hij u toen neergestoken?’ herhaalde de man rustig.
‘Het was een ongeluk, een reflex!’ Met een klap zette hij het kopje terug op het blad.
Verschrikt keek de vrouw op uit haar notitieblokje.
‘Wist u dat hij een wapen bij zich droeg?’ ging de man verder.
‘Ja,’ zei hij zacht.
‘Dank u wel, meneer Verbeek, we begrijpen dat dit moeilijk voor u was.’
Hij sloeg zijn blik neer.
‘We zullen uw verklaring verder uitwerken en nemen nog contact met u op zodat u deze kunt nalezen en kunt ondertekenen.’
Onno schudde zijn hand, toen die van de vrouw.
‘We hopen dat u snel zult herstellen, beterschap.’
Meteen toen het tweetal was vertrokken, kwam de verpleegster terug en maakte aanstalten om het gordijn te openen, maar hij wilde dat het dicht bleef. Hij wilde met rust gelaten worden. Ze knikte en liet hem alleen. Onno trok het laken over zijn gezicht en huilde stilletjes.

Wordt vervolgd (deel 9)

 

 

Een vogel voor de kat deel zeven

Een vogel voor de kat

Heb je deel zes al gelezen?

Hij lag languit op zijn rug en keek omhoog. De hemel was blauw. Kleine witte wolken dreven langzaam voorbij. De lucht was lauwwarm. Vredig was het echter niet. Een zwerm meeuwen cirkelde krijsend boven zijn hoofd. Hij vroeg zich af hoe lang hij hier eigenlijk al lag, hij kon het zich niet herinneren. Het geschreeuw van de zeevogels werd luider en luider. Het schelle geluid deed pijn, drong tot diep in zijn wezen door. Hij wilde zijn handen tegen zijn oren drukken, maar besefte toen dat hij zijn lichaam niet kon bewegen. Hij kneep zijn ogen dicht, probeerde zich af te sluiten voor de herrie die de vogels veroorzaakte. Na een tijdje werd het stil. Het enige wat hij hoorde, was een zacht geruis. Hij opende zijn ogen. De meeuwen waren verdwenen. Nu vlogen er andere, véél grotere vogels. Hij schatte ze een meter lang van kop tot staart en hun vleugels hadden een vleugelspanwijdte van zeker twee tot drie meter. Volkomen gebiologeerd aanschouwde hij de tientallen vogels, die om elkaar heen vlogen, zwevend op de wind. Plotseling dook één van hen omlaag. Met zijn klauwen vervaarlijk vooruit gestoken vloog hij recht op hem af. Hij voelde zijn hartslag versnellen, wilde schreeuwen, wegrennen, in elkaar duiken. Het lukte hem niet. Hij zette zich schrap. De klauwen van het dier drongen in zijn vlees. Hij hapte naar lucht. Met wijd opengesperde ogen keek hij naar de vale gier die bovenop hem zat. De imposante vogel boog zijn kop en observeerde zijn weerloze lichaam alsof het een rottend karkas was waaraan hij zich tegoed kon doen. Hun blikken kruisten elkaar. Met ingehouden adem staarde hij in de dreigende helderbruine ogen van het dier. Een rilling ging door zijn lijf. Ineens hoorde hij een piep. De gier hoorde het ook. Hij hief zijn kop omhoog. Daar was het weer. Het leek van ver te komen. Onrustig draaide de gier zijn kop van links naar rechts, scande de omgeving, gromde. Toen er weer een piep klonk, spreidde hij zijn vleugels en sloeg deze op en neer. Stof en veertjes dwarrelden in het rond. De gier zette zich af en met een paar krachtige vleugelslagen was hij verdwenen. Langzaam liet Onno de adem tussen zijn lippen ontsnappen. Het werd lichter om hem heen. Hij kreeg het gevoel alsof hij zweefde, alsof de vaste grond onder zijn lichaam was verdwenen. Hij hoorde een stem. Het duurde even voor het tot hem doordrong dat de stem tegen hem sprak. Iemand tikte zachtjes tegen zijn wang. Voor zijn ogen verscheen een vage schim. ‘Kunt u mij horen?’ Langzaam werd het beeld scherper. Een jonge verpleegster met hemelsblauwe ogen glimlachte hem liefelijk toe. ‘Dag, meneer Verbeek? Kunt u mij horen?’
Zijn keel voelde rauw. Hij probeerde te slikken.
‘U bent in het ziekenhuis. Kunt u zich herinneren wat er is gebeurd?’
Langzaam bewoog hij zijn hoofd van links naar rechts.
‘Dat geeft niet, dat is heel normaal, het kan even duren voordat u zich alles weer herinnert. U bent betrokken geraakt bij een vechtpartij buiten op een terras en daar hebt u een verwonding opgelopen.’ Ze wachtte even voordat ze verder ging. ‘U bent geopereerd aan een steekwond.’
Hij tilde zijn hoofd op, keek naar het verband rond zijn borst. Overmand door een golf van misselijkheid liet hij zijn hoofd weer in het kussen zakken.
De verpleegster legde een hand op zijn schouder. ‘De chirurg komt straks even bij u langs om de details van uw operatie te bespreken, maar ik kan u wel alvast vertellen dat er geen vitale organen zijn geraakt. Bent u misselijk?’
Hij knikte.
Ze scheurde een kleine verpakking open, haalde er een swab uit en streek daarmee over zijn lippen. Het vocht proefde naar citroen. Hij schraapte zijn keel. ‘Waar is mijn vrouw?’
‘Maakt u zich geen zorgen, met uw vrouw is alles in orde,’ stelde ze hem gerust. ‘U ziet haar morgenochtend weer. Ik laat u heel even alleen, maar kom zo bij u terug om u naar een andere kamer te brengen.’ Met een ruk trok ze het gordijn naast zijn bed dicht.
Onno staarde naar het plafond. Hij kon zich werkelijk niets herinneren van een vechtpartij en hij kon zich ook niet voorstellen dat hij bij een vechtpartij betrokken was geraakt. Hij hield niet van geweld. Tevergeefs pijnigde hij zijn hersenen om erachter te komen wat er precies was gebeurd. Gefrustreerd slaakte hij een zucht en liet zijn zware oogleden dichtvallen. Hij dacht aan Marie. Zijn lieve Marie, wat zal ze bezorgd zijn. Het laatste wat hij zich nog wist te herinneren was dat ze samen hadden gefietst. Nieuwe fietsen, ze hadden hun nieuwe elektrische fietsen uitgeprobeerd. Ze hadden een heel stuk langs het kanaal gefietst. Marie had ervan genoten. Daarna waren ze naar het koffiehuisje gegaan. Het koffiehuisje! Hij opende verschrikt zijn ogen. De flashback kwam snel en was hevig.
Hij had hem gezien. Het ging mis. Hij voelde dat het mis zou gaan. Hij moest ingrijpen. Hij was naar buiten gerend.
Onno greep met beide handen het laken vast. Zweetdruppeltjes parelden op zijn voorhoofd.
Het mes. Hij had gestoken. Hij had zich naar hem omgedraaid en gestoken. Zijn zoon. Zijn zoon had hem neergestoken!

Wordt vervolgd (deel acht)

 

 

Een vogel voor de kat deel zes

Een vogel voor de kat

Heb je deel vijf al gelezen?

Voorzichtig opende hij de deur van de slaapkamer en keek naar binnen. Marie lag op haar linkerzij, haar benen een beetje opgetrokken, één hand onder haar kussen, de andere erbovenop. Haar gezicht was ontspannen. Geen tekenen van pijn of verdriet. Stilletjes liep hij naar binnen en aaide haar fluweelzachte wang, zacht door de veelvuldige donshaartjes.
Bij het voelen van zijn aanraking, opende ze haar ogen, een glimlach verscheen om haar lippen.
Opgelucht glimlachte hij terug.
‘Kom je bij me liggen?’ vroeg ze.
Hij kroop achter haar en ging dicht tegen haar aan liggen, terwijl hij zijn vingers door die van haar vlocht. Zo lagen ze een tijdje, lepeltje-lepeltje.
‘Het spijt me,’ verbrak ze plotseling de stilte.
‘Jij hoeft je nergens voor te verontschuldigen, ik heb me misdragen. Ik weet niet wat me bezielde. Ik raakte mijn geduld gewoon even kwijt.’
‘Het is mijn schuld.’
‘Nee, dat komt niet door jou.’
‘Jawel, ik ben veranderd, ons hele leven is veranderd, allemaal door die stomme reuma, míjn reuma.’ Ze draaide haar gezicht in haar kussen en snikte.
Onno trok haar steviger tegen zich aan. ‘Als je denkt dat ik daardoor mijn geduld verloor en boos werd, heb je het mis. Ja, jouw ziekte heeft inderdaad veel voor ons veranderd en het zal in de toekomst nog wel meer in ons leven gaan veranderen, maar je kunt toch niet spreken over schuld? We moeten ons gewoon aanpassen en er het beste van maken. Ik neem jou niets kwalijk. Ik hou van je, nog net zoveel als altijd.’
Ze haalde haar neus op. ‘Het is niet alleen mijn ziekte die me veranderd heeft.’
‘Dat weet ik. Het is ook de spanning die de kinderen steeds weer teweegbrengen, de problemen, de onrust en onenigheid. We hebben er allebei last van. Ik zou ook willen dat het anders was.’
‘Dat bedoel ik niet.’
‘Wat bedoel je dan?’
Ze zei niets.
‘Marie?’
‘Niets, laat maar.’
Hij veerde overeind en draaide haar om. Vochtige strepen liepen over haar gezicht.
‘Ik vind het vreselijk om je te zien huilen.’
‘Wil je echt naar Zuid-Spanje toe?’
‘Als dat beter is voor jou, ja, maar dat is iets waar we rustig samen over moeten praten. Het is een hele stap en jij moet het natuurlijk ook willen.’
‘Ik had het me zo anders voorgesteld. Het enige wat ik wilde, was in alle rust genieten van onze kinderen en van elkaar, maar die rust is ver te zoeken, echt genieten van de kinderen lukt me door alle problemen eigenlijk al jaren niet meer en het enige wat ik nu vooral nog wil, is geen pijn meer hebben, maar dat kan niet.’
‘Je zult daar minder pijn hebben.’
Haar lip trilde. Een traan rolde langs de brug van haar neus naar beneden. ‘Ik schaam me zo,’ klonk het gesmoord toen ze haar gezicht tegen zijn borst drukte.
‘Waarvoor?’
Ze hief haar gezicht op. ‘Voor de opluchting die ik voel.’
Niet-begrijpend keek hij haar aan.
‘Als ik me voorstel dat we gaan verhuizen naar Zuid-Spanje, ver weg…van alles.’
‘Mijn lieve, mooie Marietje. Je hoeft je helemaal nergens voor te schamen,’ zei hij met schorre stem en drukte een innige kus op haar lippen.

Onno wierp een blik op Marie, die met een tevreden, bijna kinderlijke glimlach op haar gezicht naast hem reed en over het water uitkeek. De ferme frisse wind, die haar haren door de war blies en haar neus en wangen rood kleurde, deerde haar niet. Soepel draaide ze de trappers van haar nieuwe fiets in het rond. Het was lang geleden dat ze samen zo ontspannen hadden gefietst, nou ja ontspannen. Nu ze min of meer serieus overwogen naar het buitenland te verhuizen, was het één grote warboel van gedachten geworden in zijn hoofd, want er kwam natuurlijk heel veel bij kijken.
Eerst moesten ze op zoek gaan naar een geschikte betaalbare woning en als ze die hadden gevonden, moesten ze te zijner tijd natuurlijk hun huidige woning verkopen. Alleen dat gegeven bezorgde hem al de zenuwen. Hij was gehecht aan het huis met het knusse achtertuintje. Ze waren er vlak na hun trouwen gaan wonen. Hun kinderen waren er geboren. Het zou niet meevallen om het te verlaten, wetende dat ze er nooit meer konden terugkeren. Hij vroeg zich af wat de reactie van de kinderen zou zijn. Joris dacht waarschijnlijk alleen aan de zakelijke, financiële kant van het verhaal. Louise zou eerst verdrietig zijn, maar het dan zeker begrijpen en hen helpen waar ze kon en Jeffrey…het was niet te voorspellen hoe Jeffrey zou reageren.
Een grote zwerm ganzen vloog over hen heen en streek luid gakkend neer in het kanaal.
Onno vroeg zich af of hij nog veel zou vogelen als hij in Spanje woonde. Hij wist dat Spanje een zeer rijke vogelpopulatie had. Hij had laatst nog een artikel gelezen in een vogeltijdschrift, over het Donana National Park in het zuiden van Spanje, een tussenstop voor veel vogels tijdens de migratie, maar of dat in de buurt lag van de plek waar ze zich zouden gaan vestigen wist hij niet. Hij moest zich er binnenkort maar eens in gaan verdiepen. Hij volgde Marie die het fietspad verliet en haar weg vervolgde richting het centrum waar ze een kop koffie gingen drinken.

Het koffiehuisje met zijn traditionele trapgevel en de langwerpige ramen versierd met glas en lood ruitjes, lag net als de meeste horecagelegenheden aan het met kinderkopjes bestrate plein in het midden van het centrum. Het was hun favoriete plekje. Regelmatig brachten ze een bezoek aan het koffiehuisje, soms met zijn tweetjes, maar meestal samen met Fred en Paula. Zo ook vandaag. Binnen was het behaaglijk warm, in de openhaard in de achterkamer knapperde een vuurtje. Onno zag hun vrienden bij het raam zitten. Toen Paula hem zag kijken, veerde ze even omhoog uit haar stoel en zwaaide. Hij zwaaide terug. Wat zou hij hen gaan missen.
Jarenlang had Fred bij hen in de straat gewoond. Eerst met zijn vrouw, later alleen. Hij was al vroeg weduwnaar geworden, kinderen had hij niet. Hij en Alice waren na een aantal miskramen altijd kinderloos gebleven. Alice overleed aan kanker een dag na de geboorte van Jeffrey. Onno kon het zich nog herinneren als de dag van gisteren. De tegenstrijdigheid. Een geboorte en een sterfgeval in één week. Vreugde en verdriet. Twee vriendinnen die elkaar die week niet meer hadden gezien, allebei aan een ander bed gekluisterd, de één wachtend op een nieuw leven, de ander wachtend op de dood. Na die noodlottige dag hadden ze er alles aan gedaan om hun goede vriend te steunen, maar het was uiteindelijk de kersverse baby geweest die Fred de meeste troost had gebracht die eerste eenzame weken na de dood van zijn vrouw.
Bijna negen jaar geleden kwam Paula in Freds leven, een gescheiden vrouw met één volwassen dochter. Fred werd opnieuw verliefd, iets wat hij eigenlijk niet meer had verwacht. Het duurde dan ook niet lang voordat hij zijn huis te koop zette en bij Paula introk.
Hoewel het allemaal erg snel ging kon Onno alleen maar blij en dankbaar zijn dat Fred het geluk opnieuw had gevonden bij Paula. Ze was een lieve en zorgzame vrouw en ze was ook een hele goede vriendin van Marie geworden.
De serveerster kwam naar hen toe, zei hen vriendelijk gedag en ging hen voor naar het tafeltje. Hun bestelling hoefde ze eigenlijk niet meer op te nemen want die was iedere keer hetzelfde, vier cappuccino en vier chocoladebollen, maar toch vroeg ze er altijd even naar.
Onno hielp Marie uit haar jas en drapeerde deze over haar stoel.
‘Je ziet er opgewekt uit,’ zei Paula tegen haar.
Marie trok haar handschoenen uit en bewoog haar vingers op en neer. ‘We hebben een heel eind langs het kanaal gefietst. Ik heb in tijden niet zo genoten.’
‘Dus de fiets bevalt goed?’
‘Het beste verjaardagscadeau ooit!’
‘Hebben jullie nog nagedacht over emigratie?’ vroeg Fred.
Onno keek even naar Marie en knikte. ‘We denken er serieus over na. We gaan een vakantie boeken om de omgeving daar te bekijken en wat van die kuuroorden te bezoeken.’
‘Dan komt dit verjaardagcadeau vast van pas,’ zei Paula en legde een cadeau voor Marie op tafel.
‘Dat had toch helemaal niet gehoeven?’
Paula gaf haar een knipoog. ‘Maak nou maar open?’
Marie trok het papier open en haalde er een grote strooien zonnehoed uit met brede randen, versierd met een gehaakt lint. Beduusd liet ze het uiteinde van het lichtblauwe lint door haar vingers glijden. ‘Hij is prachtig, dank jullie wel.’
‘Zet eens op?’ vroeg Onno.
Marie zette de hoed op haar hoofd.
‘Hij staat je mooi!’ riep Paula.
‘Beeldschoon,’ zei Fred met een knipoog.
Marie sloeg haar blik neer en zette de hoed weer af.
Bezorgd boog Paula zich over de tafel en pakte haar handen vast. ‘Wat is er?’
‘Ik vind het gewoon moeilijk allemaal.’
‘Dat begrijp ik, maar er nog niets beslist. Ga eerst maar eens lekker genieten van een vakantie, dat zal jullie allebei goed doen.’
‘Waarom gaan jullie niet met ons mee op vakantie?’ stelde Onno voor.
De zorgelijke blik van Marie verdween als sneeuw voor de zon.
Op dat moment klonk er een ijzige gil, gevolgd door het geluid van gebroken glas. Ze doken alle vier in elkaar. Er was een stoel door één van de ramen naar binnen gegooid. Buiten op het terras werd geroepen en geschreeuwd. Onno zag twee mannen achter elkaar aan rennen. De voorste man werd door zijn achtervolger bij zijn arm gegrepen en over een tafeltje geslingerd. Het slachtoffer bleef ineengedoken op de grond liggen, terwijl de ander hem nog een paar harde trappen uitdeelde.
‘Ik wil hier weg,’ hoorde hij Marie zeggen.
Er verscheen een derde man. In zijn hand fonkelde een mes.
Onno slikte moeizaam, hij voelde zijn hartslag versnellen en voor een ogenblik leek het alsof alles rondom hem stil viel. Er was geen beweging meer, geen geluid.
Toen schoot hij met een ruk overeind. Zijn stoel klapte met veel kabaal op de grond. Fred greep zijn pols vast, maar hij rukte zich los. Hij moest naar buiten, nu!

Wordt vervolgd (deel zeven)

Een vogel voor de kat deel vijf

Een vogel voor de kat

Heb je deel vier al gelezen?

‘Wat doen jullie hier?’
‘Goedemorgen pa.’ Joris stond midden in de kamer met zijn handen in zijn zakken en wiebelde heen en weer van zijn hakken op de bal van zijn voeten. ‘We kwamen zomaar even langs.’
‘Zomaar?’ Hij keek naar Marie die op de bank zat. Haar ogen waren roodomrand.
Naast haar zat Jennifer. ‘Nee, niet zómaar. Ik vond dat Joris zijn excuses moest aanbieden.’
‘Ja, dat klopt, het was stom van me,’ zei hij met plichtsmatige stem.
Ongeduldig gebaarde ze dat hij voort moest maken.
‘Ik had het niet zo plotseling moeten vertellen van die zwangerschap, sorry daarvoor.’
Ze rolde geïrriteerd met haar ogen. ‘Je had het helemáál niet moeten vertellen!’
‘Ja, dat weten we verdomme nou wel!’
Marie verborg haar gezicht in haar handen.
Jennifer gaf een klopje op haar been en keek Onno aan. ‘Ze is een beetje van slag, we hebben haar net verteld dat het morgen weggehaald wordt.’
Onno schudde zijn hoofd en zuchtte. ‘Ik snap niet waarom je dat nu ineens wel moet vertellen, alsof Marie op die informatie zit te wachten, ze heeft genoeg aan haar hoofd.’ Hij ging naast haar zitten en sloeg een arm om haar heen. ‘Het gaat de laatste weken helemaal niet goed met haar.’ Hij wendde zich tot Joris. ‘Er is een nieuwe behandeling gestart.’
‘Dat wisten we niet.’
‘Nee, dat kan ook niet, want we krijgen de kans niet om het jullie te vertellen, we zien of horen jullie bijna nooit en als we je bellen heb je nooit tijd om even te praten. Je hebt het altijd te druk.’
‘Ik heb ook een drukke baan, pa.’
‘Ik heb ook altijd een drukke baan gehad, maar ik had wel aandacht voor de mensen om me heen.’
‘Is dat zo?’
‘Wat bedoel je daarmee?’
Marie liet haar handen zakken en schoof ongemakkelijk heen en weer.
Joris mompelde iets onverstaanbaars.
‘Kunnen we ergens mee helpen, een hulp in de huishouding regelen of zo?’ vroeg Jennifer.
‘Die hebben we al,’ zei Onno.
Jennifer sloeg haar benen over elkaar. Ze wipte haar glimmende pump heen en weer en draaide verveeld een haarlok rond haar vinger.
Onno hoorde een tik. Hij keek omhoog. Het deurtje van de eikenhouten koekoeksklok ging open. Het vogeltje met het rode snaveltje verscheen in de opening. Koekoek. Koekoek. Koekoek. Koekoek… Onno telde met hem mee. Het was twaalf uur.
‘Gaan jullie op vakantie?’ vroeg Joris ineens.
Zijn vraag overrompelde hem. Hij zag hoe Joris de folders pakte die hij op tafel had neergelegd, toen hij naast Marie op de bank was gaan zitten. Hij was ze helemaal vergeten.
‘Dit zijn allemaal vakantiewoningen in Zuid-Spanje die te koop staan.’
‘Dat weet ik.’
‘Je bent toch niet van plan om al jullie geld in zo’n vakantiewoning te stoppen?’
‘Jawel,’ zei hij zonder erbij na te denken.
Verbaasd staarde Marie hem aan.
‘Ik vind het wel een goed idee, dan kunnen wij er af en toe ook eens gebruik van maken, in de winter even lekker weg, heerlijk toch?’ Jennifer stond op en trok een folder uit zijn handen. ‘Wauw, kijk dan! Hier zit zelfs een zwembad bij. Dat ziet er toch héérlijk uit?’ Ze hield een pagina omhoog en tikte met haar nagel op een foto van een huisje met een adembenemend uitzicht op een blauwe zee.
‘Dit is toch helemaal niets voor jullie,’ ging Joris onverstoorbaar verder. ‘Ma, jij háát strandvakanties. Jij houdt toch veel meer van berglandschappen en zo.’
Marie opende haar mond en sloot hem weer.
‘Ik vind het een dom idee, dan kun je beter een huisje in Oostenrijk zoeken of in de Eifel of zo.’
Onno balde zijn vuisten. ‘Daar is het te koud en te vochtig voor je moeder.’
Jennifer trok een vies gezicht. ‘Daar hoef ik ook echt niet te zitten, hoor.’
Met een ruk schoot hij overeind, griste de folder uit haar handen en smeet hem op tafel.
Verontwaardigd keek ze hem aan.
‘Luisteren jullie eigenlijk wel!’
‘Wind je niet zo op pa.’ Joris stak hem zuchtend de folders toe.
Kwaad sloeg Onno zijn arm weg.
‘Onno!’ riep Marie geschrokken uit.
De folders vlogen door de lucht en belandden rondom hen op de grond.
‘Ik denk dat we maar moeten gaan,’ zei Jennifer.
‘Ja, doe dat maar,’ beet hij haar toe.
Marie kwam overeind. ‘Onno, hou op.’
Hoofdschuddend keek Joris hem aan. ‘Doe alsjeblieft geen domme dingen pa, we hebben het er een andere keer nog wel eens over, als je wat gekalmeerd bent.’
‘We?’ zei hij scherp. ‘We, hoeven het helemaal nergens over te hebben. Knoop dat goed in je oren. Je moeder en ik kunnen héél goed onze eigen beslissingen nemen,’ riep hij hem na in de gang. ‘Is ie nou helemaal besodemieterd. Wat denkt die snotneus wel niet.’ Hij zag hoe Marie zich langzaam bukte om de laatste folder van de grond te pakken.
‘Marietje.’
Ze schudde haar hoofd.
‘Laten we even gaan zitten.’
‘Nee, ik ga even liggen,’ zei ze met trillende stem.
‘Maar.’
Met een handgebaar legde ze hem het zwijgen op en verliet zonder hem aan te kijken de kamer.
Onno knipperde zijn tranen weg en liet zich vermoeid in zijn fauteuil zakken.

Wordt vervolgd (deel zes)