Categorie archief: Vervolgverhalen

Verhuizing

Mijn schapenvrouwtje zegt dat er soms dingen gebeuren in het leven die absoluut niet leuk zijn, dingen waar je boos en verdrietig van wordt, maar die uiteindelijk toch leiden naar iets positiefs of iets bijzonders. Ik moet haar gelijk geven.

Ik moest per direct weg bij de kudde schapenmoeders, maar als we niet waren weggestuurd, had ik mijn beste vriendin Saartje nooit ontmoet en ook de lieve mensen niet die voor mij hebben gezorgd tot ik een eigen wei kreeg. Mijn schapenvrouwtje heeft bovendien veel geleerd van die lieve mensen over het houden van schapen en veel adviezen gekregen en wat ook niet geheel onbelangrijk is, alle schaapjes van de knuffelweide zijn uiteindelijk bij deze lieve mensen vandaan gekomen. Als dat niet bijzonder is, dan weet ik het niet meer.

Op een dag kwam mijn schapenvrouwtje mij halen. Ze deed een lijn aan mijn halsband en zei resoluut: kom op Floris, we gaan hier weg. Ik keek nog een keer om naar de schapenmoeders en wandelde toen achter haar aan door het hek naar buiten en daarna via een plank zo een busje in. Dat was wel spannend hoor, maar ik vertrouw mijn schapenvrouwtje dus ik ben gewoon met haar meegelopen. Ze bleef ook bij mij zitten achterin het busje toen deze ging rijden. Het ritje duurde niet zo lang en toen de deuren weer opengingen, was ik zo nieuwsgierig dat ik meteen het busje uit wilde lopen. In de verte hoorde ik een ander schaapje roepen. Ze bleek Saartje te heten. Saartje was ongeveer van mijn leeftijd en ik mocht bij haar in een weitje staan achter het huis van de lieve mensen. Het waren een manmens en een vrouwmens. Het manmens maakte stoere grapjes over lamskoteletten en shoarma om mijn schapenvrouwtje te plagen, maar ik had wel door dat hij me stiekem gewoon leuk vond. Het vrouwmens was gewoon heel erg lief. Ze hield ook zo van knuffelen, net als mijn schapenvrouwtje.

Er waren ook andere diertjes in het weitje, diertjes die ik nog nooit van mijn leven had gezien. Ze werden kippen en poes genoemd. Ik keek mijn ogen uit. In de wei was verder een stalletje met vers stro. Daar zag ik mezelf wel in liggen!

Saartje en ik waren na de eerste kennismaking al vrienden. Ze was wel een beetje luidruchtig en gek met dat gehuppel en gespring van haar. Daar moest ik even aan wennen, maar ik vond het al heel snel erg gezellig. Mijn vrouwtje vond haar ook meteen heel leuk. Bijna iedere dag kwam ze me opzoeken en vaak gingen we dan samen een stukje wandelen op het dijktalud naast het weitje. Saartje mocht dan ook mee. We renden dan samen als een dolle heen en weer en aten lekkere blaadjes van de wilgenbomen, die mijn schapenvrouwtje voor ons plukte. Het waren fijne momenten en mijn schapenvrouwtje kon zich weer een beetje ontspannen nu ze wist dat ik op een veilige plek was. Vol goede moed kon ze weer verder zoeken naar een eigen wei.

Het harteloze vrouwmens

Een paar weken lang was ik een heel gelukkig lammetje. Ik miste mijn schapenmoeder en de andere lammetjes natuurlijk nog wel, maar de andere schapenmoeders zorgden ervoor dat ik me nooit alleen voelde. Ik had natuurlijk ook mijn lieve schapenvrouwtje die mij, nu ik niet meer van de boer was, een echte naam had gegeven. Ze noemde mij Floris, is dat geen gave naam?! Ik kreeg een mooie halsband met een penning waarop met grote witte letters mijn naam stond. Daar was ik wel trots op.

Mijn schapenvrouwtje was heel druk in de weer om een wei voor mij te vinden, maar dat was nog niet zo gemakkelijk. De meeste weitjes waren al bewoond of waren alleen voor de sier, het gras mocht niet door schaapjes opgegeten worden, het was alleen voor de wilde dieren en als het gras te lang werd, mocht het alleen afgemaaid en verbrand worden. Er mocht ook geen hooi van gemaakt worden voor de winter. Op een dag kwam mijn schapenvrouwtje mij bezoeken en zag ik dat ze heel erg verdrietig was. Er was een vrouwmens, die eigenlijk best een aardig vrouwmens was, maar ze speelde ook graag de baas over alle schapen en de schapenvrouwtjes. Ze vond macht hebben heel belangrijk en wilde haar macht laten gelden. Dat deed ze door mij weg te sturen! Ik moest zo snel mogelijk weg van haar en dat alleen om de simpele reden dat ik nu niet meer van de boer was, maar van mijn schapenvrouwtje. Het kon haar niets schelen dat ik dan helemaal eenzaam en alleen zou zijn zonder andere schapenvriendjes. Ze hield ook geen rekening met het feit dat mijn schapenvrouwtje nog helemaal geen ander plekje voor mij had gevonden en dat ze daar nog wat tijd voor nodig had. Ze zei gewoon tegen mijn schapenvrouwtje dat als ze geen wei voor mij had, ze mij dan maar weer terug moest verkopen aan de nare boer. Mijn schapenvrouwtje begreep niet hoe dat vrouwmens zo harteloos kon zijn, en ik ook niet, ik werd ook heel verdrietig. Mijn schapenvrouwtje troostte mij en ik troostte mijn schapenvrouwtje.

_20160807_220811-1

Het komt wel goed, zei ze, ik geef het niet zomaar op en ik ga je zeker niet teruggeven aan die nare boer. Ik zal je beschermen, zei ze, maar ik was wel een beetje bang, want ze was natuurlijk niet altijd in de buurt om mij te beschermen.

Schapenvrouwtje en haar mannetje, mijn schapenbaasje, gingen overal in de buurt rondvragen of ik niet tijdelijk ergens terecht kon, bij de aardappelboer die een paar schapen had lopen en bij de haven waar ook een paar schapen liepen, en toen…toen werden ze via de havenmeester in contact gebracht met mensen die zelf ook heel veel schaapjes hebben en die heel dicht in de buurt wonen. Schapenvrouwtje en -baasje gingen bij hen koffiedrinken om te vertellen wat er allemaal aan de hand was en waarom ik zo snel weg moest bij de schapenmoeders. Ze werden ook boos op het harteloze vrouwmens en de nare boer en stelden mijn schapenvrouwtje meteen gerust. Ik mocht een tijdje bij hen komen logeren. Mijn schapenvrouwtje was zo blij en opgelucht dat toen ik haar weer zag, ze weer heel veel tranen had, maar deze keer van opluchting en geluk!

Een BALLEN verhaal

Ik ben een schaap met ballen! Als je in onze wei komt en ik vind je niet leuk, dan zal je dat weten ook. Ik stoot je gewoon omver als het moet of ik neem een hap uit je been, dat durf ik gewoon, daar hoef je heus geen échte ballen voor te hebben.

Als lammetje zag ik eens een ram, die misschien wel mijn vader was, met een zak zo groot dat ie zowat op de grond hing, het leek me uiterst oncomfortabel. Ikzelf ben al heel vroeg van mijn balletjes ontdaan, natuurlijk niet helemaal vrijwillig, maar wat wist ik er nu van.

Het gebeurde kort nadat mijn moeder en de andere lammetjes door de boer waren meegenomen. Mijn schapenvrouwtje kwam naar de wei samen met één van de andere schapenvrouwtjes en een vrouwmens dat ik niet kende. Dat vrouwmens had een grote koffer bij zich met allemaal spullen erin. Ik moest samen met mijn schapenvrouwtje de stal in en toen werd er een ijzeren hek voor gezet.

 

DSC_0112

De schapenmoeders vonden de hele situatie maar niks, maar ik maakte me geen zorgen, want mijn schapenvrouwtje en het andere schapenvrouwtje waren bij mij om mij te knuffelen. Mijn schapenvrouwtje gaf me kusjes en zei tegen mij dat het vrouwmens, die ze veearts noemde, mijn balletjes kwam halen, dat ze het niet leuk voor mij vond, maar dat het echt moest gebeuren omdat ik anders niet bij haar kon blijven. Voordat het tot me doordrong wat ze zei, kreeg ik een prik van dat vrouwmens, die veearts. Dat vond ik niet zo aardig van haar, maar veel protesteren kon ik niet want vrijwel meteen werd alles voor mijn ogen een beetje draaierig en ik werd heel erg moe dus ben ik maar gaan liggen om een dutje te doen. In de verte hoorde ik haar en het andere schapenvrouwtje tegen mij praten, lieve woordjes, maar ik kon niet reageren. Ik was veel te ver weg, helemaal in dromenland, maar niet voor lang, voor ik het wist was ik alweer wakker en nadat ik even was bijgekomen in de armen van mijn schapenvrouwtje kon ik ook weer staan.

DSC_0105

De schapenmoeders stonden allemaal door het hek naar me te kijken. Ik was nog een beetje versuft, maar ik merkte wel dat ik iets miste tussen mijn poten, het was er ook een beetje gevoelig, maar dat duurde gelukkig maar een paar dagen. Schapenvrouwtje kwam meermaals per dag bij mij kijken en spoot dan steeds blauwe spray over het gevoelige slappe zakje tussen mijn poten waar mijn balletjes in hadden gezeten. Je bent nu een hamel, ofwel een ram zonder ballen, zei mijn schapenvrouwtje, nu kun je opgroeien tot een groot en lief schaap. Het zal wel, dacht ik, want ik was al lang blij dat ik nooit zo’n zware zak met me mee zou hoeven sjouwen als die van die ram die misschien wel mijn vader was. Ik had toen helemaal niet door dat ik nooit schapenkinderen zou kunnen maken, maar ach, wat heb je daar ook aan als mannetjesschaap, je mag ze niet eens zien of voor ze zorgen als ze geboren zijn. De andere schapenmoeders waren blij dat ik nu een hamel was, want rammen met ballen zijn helemaal niet zo aardig, zeiden ze, ze moeten altijd maar vechten en laten zien wie de baas is, nee hoor, hamels die zijn veel leuker.

Ze hadden gelijk, want echt iedereen vindt mij geweldig en lief. Ik wind iedereen om mijn poot en ook bij mijn vijf vriendinnen val ik goed in de smaak. Ik mis mijn ballen helemaal niet!

Het begin

Ik ben Floris. Ik ben een mannetjesschaap. Mijn schapenvrouwtje zegt dat ik een nieuwsgierig en slim schaap ben. Daarom houdt ze mij soms voor de gek en probeert ze sommige dingen voor mij te verbergen, want anders ga ik kattenkwaad uithalen, zegt ze. Ik weet niet hoe dat kan hoor, kattenkwaad uithalen, ik ben toch zeker geen kat, maar goed, ondeugend kan ik wel zijn en dat zal ze er wel mee bedoelen. Maar laten we eerlijk zijn, ik moet toch een beetje leven in de brouwerij brengen hier op de knuffelweide waar ik woon. Ik ben nu eenmaal geen standaard schaap dat de hele dag een beetje saai staat te grazen. Bovendien ben ik niet alleen, ik heb vijf vriendinnen en met al die vrouwen moet je af en toe toch even laten zien wie de baas is. Vooral als je geen lammetjes meer kunt voortbrengen. Dan word je toch niet meer helemaal serieus genomen. Voor je het weet wordt de leiding overgenomen door zo’n hittepetit. Nee hoor, dat laat ik niet gebeuren. Ik mag echter ook niet TE ondeugend zijn, dan wordt mijn schapenvrouwtje boos en als ze boos wordt gaat ze nare dingen zeggen, bijvoorbeeld dat ik moet oppassen dat ik geen broodje shoarma word! Dat zegt ze alleen maar omdat ik het dan te bond heb gemaakt, daar meent ze helemaal niets van hoor want wij zijn echte vrienden. Vrienden voor het leven.

DSC_0030-1

Onze vriendschap ontstond toen ik nog maar een heel klein lammetje was. Ik stond op een wei met mijn moeder en een heleboel andere schapen. Iedere week kregen wij meermaals visite op de wei van meerdere schapenvrouwtjes waaronder mijn schapenvrouwtje, die toen nog niet echt mijn schapenvrouwtje was, want toen was ik nog van een boer, die ons daar op die plek had gezet zodat we met zijn allen het gras konden opeten. Dat moest kort blijven en gras eten kunnen wij schapen natuurlijk als de beste.

DSC_0049-1

Ik weet het nog goed hoor, hoe we door de boer met zijn allen in een grote rijdende kooi werden gestopt. Het was best krap zo met zijn allen en ik was een beetje bang dat ik geplet zou worden of mijn moeder kwijt zou raken. Ik was opgelucht toen we weer uit de kooi mochten. Ik rende en sprong samen met de andere lammetjes door het gras, zo blij was ik en ik nam me meteen voor dat ik weg moest wezen zodra de boer weer kwam, want hij joeg mij en de andere schaapjes alleen maar op en ik wilde ook niet meer in die krappe kooi staan.

Alle schaapjes van mijn kudde waren altijd blij om de schapenvrouwtjes te zien, al durfde niet iedereen heel dicht bij hen te komen. Ik had echter al heel snel door dat ze niets deden. Ze waren niet zoals de boer. De schapenvrouwtjes die ons kwamen bezoeken waren lief voor ons. Ze lieten ons zelf beslissen of we naar hen toe kwamen of niet. We kregen schoon water en brokjes om te eten, maar het allerfijnste waren de knuffels die we kregen. Het is zo fijn om lekker gekriebeld en geaaid te worden onder onze buikjes, tussen onze wol en onder onze kinnetjes. Je gelooft het misschien niet, maar wij zijn echte knuffelbeesten hoor.

DSC_0181-1

Ik vond mijn schapenvrouwtje, die toen nog niet echt mijn schapenvrouwtje was meteen het allerleukste. Ik kreeg altijd extra veel aandacht van haar en een naam, vriendje, dus ik wist zeker dat zij ook mij het allerleukste vond. Als zij ons kwam bezoeken, ging ik altijd heel dicht tegen haar aanliggen, omdat ik haar wilde laten weten hoe lief ik haar vond. Ik voelde me ook veilig bij haar, ze was een beetje zoals mijn moeder. Toen ik wat ouder werd, vertelde mijn moeder me dat ik moest zorgen dat ik het sterkste ramlammetje van de kudde werd. Ik moest met de andere ramlammetjes vechten voor mijn plek. Ik vond het maar vreemd dat ze dat zei en ook helemaal niet leuk want ik wilde niet vechten. Ik hield niet van vechten, maar mijn moeder was heel resoluut en deed voor hoe ik met mijn kop moest stoten. Het was heel belangrijk, zei ze, want alleen de sterkste ramlammetjes mogen blijven, de anderen worden door de boer weggebracht en komen nooit meer terug. Ik begreep er niets van, hoezo weggebracht, waarheen dan, maar dat wilde mijn moeder niet vertellen. Ze keek me alleen maar droevig aan.

Nu ik een volwassen schaapje ben weet ik wat mijn moeder destijds bedoelde, de meeste ramlammetjes worden als ze groot en dik genoeg zijn namelijk meteen in de pan gehakt, ofwel, we belanden als een koteletje op een bord. Verschrikkelijk, vind je ook niet?

DSC_0256-1

Ik probeerde wel te doen wat mijn moeder zei, maar het lukte me niet zo goed. Ik was veel beter in lief zijn tegen de andere schaapjes en tegen de schapenvrouwtjes die ons bezochten. Op een dag waren alle schapenmoeders in rep en roer. Eén van hen had uit de gesprekken tussen de schapenvrouwtjes vernomen dat de boer een dezer dagen zou komen om alle lammetjes weg te halen. Ik kon het niet geloven en rende heel hard naar mijn schapenvrouwtje toe, die toen nog niet echt mijn schapenvrouwtje was, want ik wilde niet weg bij mijn moeder maar ook niet bij haar. Ze sloot me in haar armen en zei dat alles goed kwam. Zij zou er wel voor zorgen dat ik niet in de pan werd gehakt. Mijn moeder zag het gebeuren en was heel opgelucht en blij voor mij, maar ze was ook treurig, want ik werd dan misschien wel geholpen door het schapenvrouwtje, wat toen nog niet echt mijn schapenvrouwtje was, maar wij zouden binnenkort hoe dan ook van elkaar gescheiden worden. Ik was nu immers groot genoeg om mezelf te redden. Ik had haar niet meer nodig.

Toen de dag aanbrak dat de boer kwam, gaf het schapenvrouwtje, wat toen nog niet echt mijn schapenvrouwtje was, een stapeltje papier aan hem en daarna joeg hij alle lammetjes in de kooi behalve mij en toen joeg hij tot mijn grote schrik ook ineens mijn schapenmoeder de kooi in. Ik begreep er helemaal niets van en ik begon in paniek naar haar te roepen. Het geeft niet mijn kleine man, riep ze terug. Het komt goed. Je bent veilig! Eén van de andere schapenmoeders waar wij altijd veel mee optrokken ontfermde zich over mij. Wees maar niet bang zei ze, er gebeurt niets met je moeder, ze gaat naar een andere kudde om tot rust te komen zodat ze weer nieuwe schapenkinderen kan krijgen, dat is normaal. Wij schapenmoeders zijn altijd zo moe van het grootbrengen van onze schapenkinderen dat we daar, als jullie groot genoeg zijn, een tijdje van moeten bijkomen en dat kan niet als jullie in de buurt zijn. Het is moeilijk, dat weet ik, dat is het leven van een schaap, maar jij boft, jij hebt nu een eigen schapenvrouwtje, daarom blijf jij hier en gaat je moeder weg. Binnenkort ga je vast met je schapenvrouwtje mee naar huis. Dan hoef je nooit meer bang te zijn dat de boer je komt ophalen. Dat klonk als muziek in mijn oren, maar toch was ik verdrietig. Samen met de andere schapenmoeders moest ik een hele tijd hard en treurig blaten, zij om hun schapenkinderen en ik om mijn schapenmoeder en ook mijn vriendjes en vriendinnetjes die ik nooit meer zou zien.

Gelukkig heb ik inmiddels nieuwe vriendinnen. De volgende keer vertel ik hoe ik van een ram een hamel werd ofwel een schaap zonder ballen, tot de volgende keer!

Een vogel voor de kat deel zestien ‘finale’

Een vogel voor de kat

Heb je deel vijftien al gelezen of wil je beginnen bij het begin?

‘Dat zijn ze volgens mij!’ Marie wees naar een zilvergrijs busje dat de straat in reed. De lach op haar gebruinde gezicht sprak boekdelen.
Onno kwam overeind uit zijn stoel.
Het busje stopte voor het appartementencomplex. De deur schoof open. Joris stapte als eerste uit, zoals gewoonlijk met zijn telefoon tegen zijn oor.
Grinnikend schudde Onno zijn hoofd. Sommige dingen veranderden nooit.
Joris hielp eerst Jennifer en toen Louise met uitstappen. Louise hielp Anna, die met één hand haar buik ondersteunde.
Nog drie maanden, dan zou hun tweede kleinkind geboren worden. Hij had de vliegtickets naar Nederland al klaarliggen.
‘Kijk eens hoe dik haar buik is!’ jubelde Marie. ‘Ik ga naar beneden.’ Ze drukte een innige kus op zijn lippen en verliet met een speels huppeltje het balkon.
Onno zag hoe Louise haar armen spreidde voor het blonde meisje dat al half uit het busje hing. Vol vertrouwen maakte ze een sprong en belandde met een grote zwaai op het trottoir. Helen was de laatste die uit het busje stapte.
Ieder jaar weer kwamen de kinderen rond deze tijd naar Spanje om de verjaardag van hun kleindochter te vieren. Marion werd vier dit jaar. Jeffrey zou zo trots zijn geweest. Hij ademde diep in en liet de lucht langzaam tussen zijn lippen ontsnappen.
Het was een vogel geweest. Een vogel had de dood van zijn zoon veroorzaakt. Het dier was met zo’n harde klap tegen de vooruit gevlogen, dat Jeffrey van schrik de macht over het stuur was verloren. Het was een noodlottig ongeval geweest, dat iedereen had kunnen overkomen. Er was geen schuldige. Het had echter maanden geduurd voor hij zijn verrekijker weer tegen zijn ogen had kunnen zetten zonder dat zijn blik vertroebelde. Een hele tijd had hij zelfs gedacht dat hij nooit meer zou kunnen genieten van de aanblik van een vogel.
Hij keek naar de zee en naar de krijsende meeuwen, zwevend boven de bruisende golven.
‘Opa!’ klonk het van beneden.
Zijn kleindochter stond uitbundig te zwaaien en zond hem kushandjes toe.  Lachend stuurde hij haar kushandjes terug.

Een vogel voor de kat deel vijftien

Een vogel voor de kat

Heb je deel veertien al gelezen of wil je bij het begin beginnen?

De dagen verstreken. Het waren lange, verdrietige dagen waarin hij weinig sprak, maar veel nadacht. Hij was vergeten hoeveel dierbare momenten hij eigenlijk samen met zijn jongste zoon had gehad. Nu Jeffrey overleden was, kwamen alle herinneringen aan die fijne momenten weer naar boven. De ellende van de afgelopen jaren leek naar de achtergrond te zijn verdwenen. Het maakte het verlies des te zwaarder. Hij was zijn zoon kwijt, niets kon dat veranderen.
Marie was compleet ontredderd. In haar ogen was alles wat er mis gegaan was in het leven van hun zoon haar schuld, inclusief het ongeluk. Dat was natuurlijk onzin, maar ze had het boetekleed aangetrokken en bleef zich maar verontschuldigen. Hij kon niet meer dan haar gerust stellen en troosten. Ze had inderdaad een fout gemaakt, een pijnlijke onvergetelijke fout, maar verder wilde hij het hele onderwerp liever laten rusten. Hij kon alleen maar hopen dat Marie zichzelf ooit zou kunnen vergeven. De situatie was immers al triest genoeg.
Twee dagen geleden hadden ze Jeffrey begraven. Het was een simpele, maar mooie dienst geweest. Hij had zich verbaasd over de hoeveelheid mensen die bij de dienst aanwezig waren. Vreemden van wie ze het bestaan niet eens hadden geweten, hadden hun medeleven getoond. Vandaag zouden ze zijn vriendin voor het eerst ontmoeten. Haar naam was Helen. Had hij hen maar over haar verteld en haar mee naar huis genomen. Hij begreep niet waarom hij dat niet had gedaan. Het viel hem zwaar haar nu op deze manier te moeten leren kennen.
Gespannen staarde hij naar de dichte deur. De verpleegster kon ieder moment naar buiten komen. Louise en Marie zaten stilzwijgend naast hem, beiden in gedachten verzonken, net als hij.
Toen de deur open ging, veerden ze alle drie omhoog.
‘Gaat u maar naar binnen,’ zei de verpleegster vriendelijk.
Onno zuchtte diep. Hij liep achter Marie en Louise aan naar binnen en observeerde de jonge vrouw, die rechtop in het ziekenhuisbed zat. Haar rechteroor en een deel van haar voorhoofd waren bedekt met verband en pleisters, haar kin zat vol donkere korsten en haar linkerarm zat in een mitella. Ondanks de verwondingen op haar gezicht, zag ze er met haar lange donkere krullen en grote bruine ogen, liefelijk uit. Het paste totaal niet bij het beeld dat hij zich op basis van haar stem gevormd had, die morgen dat hij Jeffrey had bezocht. Zijn ogen werden naar de plek getrokken waar het witte laken de bolling van haar buik verraadde.
Louise verbrak de ongemakkelijke stilte. ‘Ik ben Louise, de zus van Jeffrey.’
Marie deed een stap dichterbij. ‘Ik ben zijn moeder, Marie.’
Zacht herhaalde de vrouw haar naam.
Hij schraapte zijn keel. ‘Ik ben Onno, zijn vader.’
Ze knipperde haar tranen weg.‘Het spijt me zo dat we elkaar onder deze omstandigheden leren kennen. Ik ben Helen.’
Marie onderdrukte een snik, grabbelde zenuwachtig in haar handtas en haalde er een zakdoek uit die ze tegen haar ogen drukte.
‘Waren jullie al lang samen?’ vroeg Onno.
‘We leerden elkaar ruim anderhalf jaar geleden kennen op een bijeenkomst voor verslaafden.’
Onno keek haar verbaasd aan. ‘We wisten niet dat hij…’
‘Hij wilde het niet vertellen,’ onderbrak ze hem. ‘Hij was bang om te falen, bang dat het verwachtingen zou scheppen die hij niet kon waarmaken. Hij wilde jullie niet teleurstellen. Hij wilde het pas vertellen als hij zijn verslaving onder controle had, en geloof me, hij heeft het echt geprobeerd. Er waren dagen, soms zelfs weken dat hij niet gebruikte, maar hij hield het nooit vol.’
‘En jij?’ vroeg Louise.
‘Mij is het wel gelukt. Ik ben volgende week veertien maanden clean.’
Louise raakte haar arm aan. ‘Wat goed van je.’
‘Het blijft natuurlijk altijd een strijd. Het verlies van Jeff…’ Ze zweeg en legde haar hand op haar buik.
‘Heb je veel steun van je familie en vrienden?’
‘Ik heb door mijn drugsverleden niet zoveel echte vrienden overgehouden en met mijn familie heb ik lang geleden al gebroken. Jeff was mijn familie. Ik hoopte samen met hem een hecht gezin te gaan vormen, maar ik was bang voor zijn verslaving en wat het met hem deed, wat het met ons deed. Een maand geleden heb ik hem gevraagd, nee gesmeekt, om zich te laten helpen in een kliniek, maar dat weigerde hij. Hij zei dat hij gek zou worden als hij zo lang van ons gescheiden moest zijn.’ Ze veegde met een snelle beweging haar tranen weg. ‘Ik werd zo boos. Hij durfde gewoon niet. Hij gebruikte ons als reden om het gevecht met zijn verslaving niet aan te hoeven gaan. Ik vond hem een lafaard!’ Ze sloeg haar blik neer. Haar onderlip begon te trillen. ‘Toen heb ik iets vreselijks gedaan,’ zei ze en ze verborg haar gezicht in haar handen.
Instinctief streek Marie troostend over haar schouder.
Na een paar minuten keek Helen naar haar op.
‘Wat heb je gedaan?’ vroeg Marie zacht.
‘Ik heb gezegd dat het zijn kind niet was,’ snikte ze, ‘en toen ben ik weggegaan.’
Onno liet zijn hoofd en schouders hangen. Hij wist als geen ander hoe zijn zoon zich gevoeld moest hebben bij het horen van deze woorden.
‘De volgende dag ging Jeff gruwelijk de fout in.’
Hij hief zijn hoofd op.
Helen ving zijn blik.
‘Het steekincident?’
Ze knikte.
Marie greep Onno vast.
‘Het spijt me zo,’ fluisterde Helen.
Onno schudde zijn hoofd. ‘Je kon niet weten dat dat zou gebeuren.’
‘Ik wist wat het met hem zou doen. Ik heb hem bewust pijn gedaan. Ik ontnam hem datgene wat het allerbelangrijkste voor hem was, onze liefde en ons kind. Dat had ik nooit mogen doen. Ik wilde het allemaal rechtzetten, maar toen was het al te laat. Ik voelde me zo schuldig. Ik durfde hem niet te vertellen dat ik had gelogen.’
‘Maar jullie zaten wel samen in die auto,’ zei Louise.
Helen knikte. ‘Ik hoorde via een kennis dat hij weer contact had met iemand uit zijn verleden, een vrouw. Dat deed zoveel pijn. Ik wilde alles vergeten, niets meer voelen. Ik verlangde naar mijn drugs. Toen heb ik hem gebeld. Ik had hem zo hard nodig. Hij kwam meteen naar me toe. Ik heb al mijn moed verzameld en hem alles verteld. Ik dacht dat hij woest zou zijn en het me nooit zou vergeven, maar hij sloeg alleen maar zijn armen om me heen. Hij zei dat dit het gelukkigste moment van zijn leven was en dat hij er álles aan zou doen om van zijn verslaving af te komen. Ik zag in zijn ogen een vastberadenheid die ik nog niet eerder had gezien. Ik wist dat het allemaal goed zou komen en wilde meteen met hem mee naar huis.’
Onno slikte de brok in zijn keel weg en drukte Marie en Louise tegen zich aan.
‘Toen ik bijkwam in het ziekenhuis, kon ik me niets van het ongeluk zelf herinneren. Ik wist alleen nog dat we naar huis reden en dat ik me de gelukkigste vrouw ter wereld voelde. De doctoren konden me ook geen garantie geven of het ooit terug zou komen. De politie heeft me ondervraagd, maar ik kon hen geen informatie geven. Ze vertelden me dat ik geen gordel om had en daardoor uit de auto ben geslingerd. Dat begrijp ik nog steeds niet. Ik doe áltijd mijn gordel om.’ Ze wreef zachtjes over haar buik terwijl de tranen over haar wangen liepen. ‘Ik kan het nog steeds niet geloven dat hij dood is, dat ik hem nooit meer zal zien.Ik voel me zo alleen en incompleet zonder hem.’
Marie ging naast haar zitten en sloeg haar arm om haar heen.
Helen huilde met lange hartverscheurende uithalen.

Wordt vervolgd (deel zestien finale)